Getypte notulen van een vergadering (pagina 3).
Origineel
Getypte notulen van een vergadering (pagina 3). Na oktober 1937 (gebaseerd op interne datering). De spelling en context wijzen op de late jaren '30. -3-
in het bezit zyn van een ventvergunning, terwyl ook reeds eenige processen-verbaal tegen bedoelde personen zyn opgemaakt.
De heer Van 't Hek antwoordt, dat hy kort geleden op den Singel een aantal van dergelyke menschen met kleeden is tegengekomen. Hy twyfelt er sterk aan, dat deze personen een ventvergunning hebben; spreker vindt het treurig, dat vele Nederlanders thans niet meer in het bezit van een ventvergunning kunnen komen, terwyl deze menschen maar rustig hun gang kunnen gaan.
De Voorzitter antwoordt, dat deze kwestie thans speciaal de aandacht van Politie en contrôleurs heeft.
De Voorzitter stelt vervolgens opnieuw het verzoek van N. Borgsteede, om hem alsnog een ventvergunning te verleenen, welk verzoek werd behandeld in de 55e vergadering, aan de orde. Spreker deelt mede, dat in de bovenbedoelde vergadering is besloten, gunstig op vorenbedoeld verzoek te adviseeren; thans is echter gebleken, dat de aan Borgsteede verleende standplaatsvergunning in October 1937 wegens wanbetaling is ingetrokken. Het is dus niet juist, dat adressant momenteel in het bezit van een standplaatsvergunning is; het is echter gebruikelyk, dat men een eenmaal ingetrokken standplaatsvergunning weder terug kan krygen, nadat men de schuld heeft betaald. Om deze reden bestaat er volgens spreker geen bezwaar, dat aan het verzoek van adressant alsnog wordt voldaan.
De Commissie kan zich hiermede wel vereenigen, mits vooraf het achterstallige standplaatsgeld wordt voldaan.
Verzoek van M. Mullem om hem alsnog een ventvergunning te verleenen (om advies aan de Commissie gezonden onder no. 62/428 L.M.1937).
De Voorzitter deelt mede, dat blykens zich onder bovenbedoelde stukken bevindende brieven van de S.D.A.P. Afdeeling Amsterdam en den heer Directeur voor Maatschappelyken Steun blykt, dat adressant tot 1927 gedurende een veertiental jaren van het venten te Amsterdam zyn beroep heeft gemaakt; daarna heeft hy tot 1931 gedurende een viertal jaren ge- Dit document verslaat een discussie over het verlenen van vent- en standplaatsvergunningen in Amsterdam. Er komen drie kernpunten naar voren:
1. Handhaving en concurrentie: De heer Van 't Hek beklaagt zich over illegale straathandel op de Singel (verkoop vanaf kleden). Hij uit een populistisch sentiment door te stellen dat "Nederlanders" moeite hebben vergunningen te krijgen, terwijl illegalen ongemoeid worden gelaten.
2. Casus N. Borgsteede: Deze persoon vraagt opnieuw een vergunning aan. Hoewel zijn eerdere vergunning was ingetrokken wegens wanbetaling in oktober 1937, adviseert de voorzitter positief, mits de schuld wordt afgelost. Dit getuigt van een zekere mate van coulance mits aan financiële verplichtingen wordt voldaan.
3. Casus M. Mullem: Een nieuwe aanvraag ondersteund door politieke en sociale instanties (S.D.A.P. en de Directeur voor Maatschappelyken Steun). De nadruk ligt hier op het arbeidsverleden van de aanvrager als professioneel venter. Het document weerspiegelt de economische malaise van de jaren '30 (de Grote Depressie). Straathandel was voor velen een laatste redmiddel om in het levensonderhoud te voorzien, wat leidde tot een streng vergunningenbeleid door de gemeente om "wildgroei" te voorkomen. De bemoeienis van de S.D.A.P. (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij) en de afdeling Maatschappelijke Steun onderstreept dat het verlenen van een ventvergunning in deze tijd vaak als een vorm van sociale bijstand of werkverschaffing werd gezien. De opmerking van Van 't Hek over "deze menschen" versus "vele Nederlanders" kan duiden op toenemende spanningen jegens (buitenlandse) vluchtelingen of migranten die probeerden te overleven in de informele economie. M. Mullem N. Borgsteede S.D.A.P. Afdeeling Gemeente Amsterdam Politie