Archief 745
Inventaris 745-373
Pagina 88
Dossier 92
Jaar 1942
Stadsarchief

Notulen of verslag van een vergadering (waarschijnlijk van een commissie belast met standplaatsvergunningen).

Origineel

Notulen of verslag van een vergadering (waarschijnlijk van een commissie belast met standplaatsvergunningen). 4

De Voorzitter deelt mede, dat deze aanvrage reeds is behandeld in de 52ste vergadering der Commissie. Toen is afwijzend geadviseerd, omdat adressante gedurende 4 jaren niet van den straathandel haar beroep zou hebben gemaakt. Een haar verleende standplaatsvergunning werd n.l. in November 1933 ingetrokken. Echter heeft adressante, blijkens een verklaring van den badmeester van het zwembad Hamerstraat, tot de opheffing dier inrichting in September 1934 in de nabijheid daarvan gevent.

De heer Presser zegt, dat het bad wel in 1934 opgeheven kan zijn, doch dit bewijst z.i. nog niet, dat adressante ook tot dien bij het bad heeft gestaan. Dit is wel zeer onwaarschijnlijk, daar de politie dergelijke clandestiene standplaatsen nimmer heeft getolereerd.

De heer Neeter acht het zeer goed mogelijk, dat adressante tot aan de opheffing van de inrichting ter plaatse heeft gestaan. Daarna is zij in een ander beroep werkzaam geweest. Thans is de inrichting in Noord heropend en spreker acht het logisch, dat adressante daar weder haar oude plaats wil innemen.

De heer Presser vraagt waarom adressante in 1933 geen ventvergunning heeft aangevraagd. Dit wijst erop, dat zij sedertdien niet heeft gevent. Zij kon toch in 1933, toen de ventvergunningen moesten worden aangevraagd, niet weten, dat de zweminrichting zou worden opgeheven.
Om deze reden is spreker tegen inwilliging van de onderhavige aanvrage.
De heeren Neeter, Van 't Hek en Cohen zijn vóór inwilliging. Vele standplaatshouders hebben immers in 1933 geen ventvergunning aangevraagd. Hierover is reeds vroeger gesproken.

De Voorzitter zegt toe, adressante alsnog op te roepen, teneinde haar de door den heer Presser gestelde vraag voor te leggen.

Vervolgens stelt de Voorzitter punt 3 der agenda aan de orde:
Nota van de heeren Cohen en Mr. Van Praag d.d. 6 September 1937 over het opkoopersvraagstuk (den leden gezonden). Dit document is een verslag van een beraadslaging binnen een gemeentelijke of professionele commissie over de toekenning van een standplaatsvergunning voor straathandel. De kern van het geschil draait om de vraag of de aanvraagster ("adressante") haar beroep continu heeft uitgeoefend, wat een voorwaarde lijkt te zijn voor het behoud of herkrijgen van een vergunning.

Er is een duidelijk meningsverschil tussen de commissieleden:
1. De heer Presser is sceptisch en legalistisch. Hij voert aan dat het ontbreken van een officiële aanvraag in 1933 en het risico op politie-ingrijpen bij "clandestien" venten bewijzen dat ze niet gewerkt heeft.
2. De heer Neeter (gesteund door anderen) is pragmatischer. Hij erkent dat mensen vaak buiten de officiële regels om werkten ("clandestien") en vindt het logisch dat zij haar plek bij het heropende zwembad in Amsterdam Noord wil terugkrijgen.

De voorzitter kiest voor een tussenweg door de vrouw persoonlijk te horen. Het document eindigt met de overgang naar een volgend agendapunt over het "opkoopersvraagstuk", wat duidt op een bredere regelgeving omtrent handel en nering in die tijd. Het document dateert uit september 1937, de late jaren van de Grote Depressie in Nederland. In deze periode was de regulering van straathandel streng, mede om de gevestigde winkelier te beschermen en om de openbare orde te handhaven. Het genoemde "zwembad Hamerstraat" bevond zich in Amsterdam-Noord (het bekende badhuis/zwembad in het IJ).

De discussie over "clandestiene standplaatsen" illustreert de overlevingsstrategieën van de Amsterdamse beroepsbevolking tijdens de crisisjaren; velen probeerden zonder de benodigde papieren toch een inkomen te vergaren. De verplichte aanvraag van ventvergunningen in 1933, waar Presser naar verwijst, was waarschijnlijk een moment van verscherpt toezicht door de gemeente Amsterdam op de informele economie. De vermelding van "Mr. Van Praag" en "Cohen" wijst mogelijk op betrokkenheid van de Joodse gemeenschap of specifieke belangenverenigingen die vaak actief waren in de handel en commissies in Amsterdam. De Voorzitter de heer Presser de heer Neeter Van 't Hek Cohen Mr. Van Praag. Gemeente Amsterdam Politie

Samenvatting

Dit document is een verslag van een beraadslaging binnen een gemeentelijke of professionele commissie over de toekenning van een standplaatsvergunning voor straathandel. De kern van het geschil draait om de vraag of de aanvraagster ("adressante") haar beroep continu heeft uitgeoefend, wat een voorwaarde lijkt te zijn voor het behoud of herkrijgen van een vergunning.

Er is een duidelijk meningsverschil tussen de commissieleden:
1. De heer Presser is sceptisch en legalistisch. Hij voert aan dat het ontbreken van een officiële aanvraag in 1933 en het risico op politie-ingrijpen bij "clandestien" venten bewijzen dat ze niet gewerkt heeft.
2. De heer Neeter (gesteund door anderen) is pragmatischer. Hij erkent dat mensen vaak buiten de officiële regels om werkten ("clandestien") en vindt het logisch dat zij haar plek bij het heropende zwembad in Amsterdam Noord wil terugkrijgen.

De voorzitter kiest voor een tussenweg door de vrouw persoonlijk te horen. Het document eindigt met de overgang naar een volgend agendapunt over het "opkoopersvraagstuk", wat duidt op een bredere regelgeving omtrent handel en nering in die tijd.

Historische Context

Het document dateert uit september 1937, de late jaren van de Grote Depressie in Nederland. In deze periode was de regulering van straathandel streng, mede om de gevestigde winkelier te beschermen en om de openbare orde te handhaven. Het genoemde "zwembad Hamerstraat" bevond zich in Amsterdam-Noord (het bekende badhuis/zwembad in het IJ).

De discussie over "clandestiene standplaatsen" illustreert de overlevingsstrategieën van de Amsterdamse beroepsbevolking tijdens de crisisjaren; velen probeerden zonder de benodigde papieren toch een inkomen te vergaren. De verplichte aanvraag van ventvergunningen in 1933, waar Presser naar verwijst, was waarschijnlijk een moment van verscherpt toezicht door de gemeente Amsterdam op de informele economie. De vermelding van "Mr. Van Praag" en "Cohen" wijst mogelijk op betrokkenheid van de Joodse gemeenschap of specifieke belangenverenigingen die vaak actief waren in de handel en commissies in Amsterdam.

Genoemde Personen 6

Producten

A.G.F. (Groenten): Groente A.G.F. (Groenten): Sla Textiel & Kleding: Garen Textiel & Kleding: Kleding Textiel & Kleding: Stof Textiel & Kleding: Textiel Vis & Zee: Aal Vis & Zee: Vis

Thema's

Jodenster/Maatregelen

Organisaties

Gemeente Amsterdam Politie

Kooplieden in dit dossier 100

Andries Agsteribbe Waterlooplein linnen
A. Agsteribbe Waterlooplein lingerie
A. Agsteribbe-Bilder-beek Waterlooplein lappen
A.J.G. Bakker Waterlooplein id.
A. Berclouw Waterlooplein huish. artikelen.
A. Berclouw Waterlooplein huish. artikelen.
A. Berclouw Uilenburg huish. artikelen.
A. Berclouw Waterlooplein huish. artikelen
A.Berelouw Waterlooplein huish.artikelen
A. Besselon Waterlooplein lederwaren
A. Beuclon Waterlooplein lederwaren
Aaron Blaaser Uilenburg geliquideerd
A. Blanes Waterlooplein kousen en sokken
A. Blans Waterlooplein kousen en sokken
A. Boeken Uilenburg groente en fruit
A. Boeken Uilenburg groente en fruit
Abraham Canes Waterlooplein kousen en sokken
A. Copenhagen Waterlooplein textiel
A. Cosman Waterlooplein kousen en sokken
A. David Waterlooplein manufacturen
A. David Waterlooplein manufacturen
Abraham de Vries Waterlooplein textiel
Abraham de Vries Waterlooplein textiel
Abraham de Vries Waterlooplein textiel
A. de Vries Waterlooplein textiel
A. Dotsch Waterlooplein visch
A. Dotsch Waterlooplein visch
A. Dotsch Waterlooplein visch
A. Drubber Waterlooplein kousen en sokken
A. Drukker Waterlooplein kousen en sokken
Alle 100 kooplieden →