Zakelijke brief (verzoekschrift).
Origineel
Zakelijke brief (verzoekschrift). 21 juli 1942. Administratiekantoor S. Kater, Amsterdam. ADMINISTRATIEKANTOOR S. KATER
Inrichting en bijhouding Uwer boeken
Adviezen belastingzaken enz.
Amsterdam 2e Boerhaavestraat 55 1e etage
~~Hilversum, Koninginneweg 103~~
A’dam, 21 Juli 1942.
Nº 30/40/2 M. 1942 22/7
Den Heer Directeur
v/h Marktwezen.
Alhier.
Mijnheer!
Mijn cliënt, de Heer Jacob Franschman, Blasiusstr. 73
Standplaats, markt Waterlooplein, heeft mij opgedragen
U te verzoeken, zijn vaste plaats op de markt over te mogen
dragen aan zijn zoon Moses Franschman, daar hij zelf
van den dokter niets meer mag doen.
De Heer Franschman stond met zuurwaren, terwijl
hij ook erwtensoep verkocht; hij heeft een distributievergunning
erwten.
Hopende, dat U aan dit verzoek zult willen
voldoen en Uw spoedig antwoord tegemoet ziende,
Hoogachtend
[Handtekening: Kater] In deze brief verzoekt administrateur S. Kater namens zijn cliënt, Jacob Franschman, om de officiële overdracht van een marktvergunning. Jacob Franschman exploiteerde een kraam op het Waterlooplein waar hij "zuurwaren" (zoals augurken en uien in het zuur) en erwtensoep verkocht. Vanwege zijn gezondheid (“van den dokter niets meer mag doen”) wil hij de standplaats overdragen aan zijn zoon, Moses Franschman.
Opvallend is de vermelding van de "distributievergunning voor erwten". In de oorlogsjaren was voedsel op de bon; om erwtensoep te mogen verkopen, had een marktkoopman een specifieke toewijzing van grondstoffen nodig van het Rijksbureau. De overdracht van de standplaats hield dus ook de overdracht van deze schaarse handelsrechten in. De brief is gedateerd op 21 juli 1942, een kritieke periode tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Slechts een week eerder, op 15 juli 1942, was het eerste grootschalige transport van Joden uit Amsterdam naar kamp Westerbork vertrokken.
De namen Jacob en Moses Franschman en de locatie (Blasiusstraat en de markt op het Waterlooplein) duiden erop dat het hier gaat om Joodse Amsterdammers. Het Waterlooplein was het hart van de Joodse marktbuurt. In deze periode werden Joodse ondernemers en marktkooplieden steeds verder ingeperkt door anti-Joodse maatregelen. Veel Joodse marktkooplieden probeerden hun nering voort te zetten of over te dragen aan familieleden in een poging om een bron van inkomsten en een zekere mate van bewegingsvrijheid te behouden, terwijl de dreiging van deportatie voortdurend aanwezig was. Dit document vormt een directe getuigenis van de dagelijkse overlevingsstrijd en de bureaucratische realiteit voor Joodse burgers midden in de vervolging.