Handgeschreven brief
Origineel
Handgeschreven brief 4 mei 1942 J. Renz Den Heer Inspecteur (vermoedelijk van de Marktwezen/Marktpolitie) Sumatrastraat 4 Mei 1942
Den Heer
Inspecteur
Wat het verzoek aangaat v/d H:
J. v/d Linde pl: n: 88, zou ik U in
overweging willen geven aangezien
er toch geen gegadigden zijn, pl: n:
48 aan v/d Linde toe te wijzen. Bij
toeval kwam Dhr: v/d Linde aan het
kantoortje Waterlooplein zijn schuld
betalen, waarbij ik hem de vraag
stelde aan wien of hij voor plaats
n: 48 gevraagd had, en toen erkende
v/d Linde in tegenwoordigheid v/d
H: Uitvlucht dat hij nimmer om
die plaats gevraagd had, daarvoor
bezoekt hij ook te weinig de markt
zie zijn schuldenbet:; van 7 à 8 weken
H: de Vries, de naam is volgens persoons
bewijs J. v/d Linde.-
J. Renz De brief betreft een administratieve kwestie rondom de toewijzing van marktplaatsen op het Waterlooplein in Amsterdam. De schrijver, J. Renz, adviseert de inspecteur over de toewijzing van plaats nummer 48 aan een zekere J. van der Linde, die reeds plaats 88 bezet.
Er zijn enkele opvallende elementen in de tekst:
1. Betalingsachterstand: Van der Linde heeft een aanzienlijke schuld van 7 tot 8 weken aan staangeld, wat door de schrijver wordt gebruikt als argument dat de man de markt eigenlijk te weinig bezoekt.
2. Naamsverwarring: Aan het eind van de brief wordt een correctie gemaakt op de identiteit van de persoon. Hij was blijkbaar bekend onder de naam "H. de Vries", maar de schrijver stelt vast dat zijn naam volgens het persoonsbewijs "J. v/d Linde" is.
3. Getuigen: Een zekere "H: Uitvlucht" wordt genoemd als getuige bij het gesprek op het marktkantoor. Dit document is gedateerd op 4 mei 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. Dit geeft de brief een specifieke historische lading:
- Het Persoonsbewijs: De vermelding van het "persoonsbewijs" is cruciaal. Dit verplichte legitimatiebewijs was in 1941 ingevoerd door de bezetter. Dat de schrijver de naam controleert aan de hand van dit bewijs, toont de toenemende controle op de bevolking aan.
- Waterlooplein: De markt op het Waterlooplein lag in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. In mei 1942 was de vervolging van de Joodse bevolking in een kritieke fase beland; precies één dag voor deze brief (op 3 mei 1942) werd de Jodenster verplicht gesteld. Hoewel de brief een puur zakelijke, administratieve toon heeft, vond deze correspondentie plaats in een uiterst beladen omgeving waarin marktkooplieden dagelijks te maken hadden met uitsluiting, wegvoering en strenge regelgeving.
- Bureaucratie onder bezetting: Het document illustreert hoe de dagelijkse bureaucratie (marktwezen, schulden, standplaatsen) gewoon doorging, terwijl de context waarbinnen deze markt functioneerde door de oorlogsomstandigheden en anti-Joodse maatregelen fundamenteel veranderd was.