Archief 745
Inventaris 745-379
Pagina 91
Jaar 1942
Stadsarchief

Ambtelijk memorandum / intern schrijven.

16 juni 1942.

Origineel

Ambtelijk memorandum / intern schrijven. 16 juni 1942. Onderwerp:
restitutie standgeld
Joodsche standplaatshouders.

39/23/9

W. C. M.

Bij mijn dienst zijn verschillende ver-
zoeken / brieven gekomen van Joodsche
standplaatshouders, wier vergunningen per
13 Januari j.l. door den Burgemeester werden
ingetrokken, om hen restitutie te verleenen
van reeds door hen vooruitbetaald stand-
plaatsgeld. Op gronden van billijkheid ware
m.i. aan deze verzoeken te voldoen.

Ik moge U beleefd verzoeken
wel te willen bevorderen, dat ik bij besluit van den
Burgemeester word gemachtigd, krachtens
het bepaalde in artikel 36 van de Veror-
dening op het heffen van Markt-, standplaats- en
weergelden, op gronden van billijkheid,
restitutie van standplaatsgeld te verlee-
nen aan Joodsche standplaatshouders,
die het verschuldigde standgeld bij vooruitbetaling hadden voldaan,
en wier vergunningen per 13 Januari j.l. werden
ingetrokken.

[onleesbaar monogram/handtekening]

of te veel hebben betaald

16/6 '42 Dit document betreft een ambtelijk verzoek aan de burgemeester om toestemming te geven voor het terugbetalen van reeds betaald marktgeld aan Joodse kooplui. Op 13 januari 1942 werden de vergunningen van Joodse standplaatshouders collectief ingetrokken als gevolg van de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter.

De ambtenaar voert "billijkheid" (rechtvaardigheid) aan als reden voor de restitutie. Omdat de kooplui al vooruit hadden betaald voor een periode waarin zij niet meer mochten werken, acht de schrijver het redelijk dat dit geld wordt teruggegeven. Het document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van de uitsluiting van Joden uit het economische leven: terwijl hun broodwinning werd afgepakt, hield het ambtelijk apparaat zich bezig met de correcte financiële verrekening van de resterende gelden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in bezet Nederland stapsgewijs verordeningen ingevoerd die Joden uit het openbare leven weerden. Na de eerdere registratieplicht en de beperking van bewegingsvrijheid, volgde in 1941-1942 de systematische verwijdering van Joden uit beroepen en markten.

De datum van 13 januari 1942 is in veel Nederlandse gemeenten het moment waarop de lokale markten officieel "Jodenvrij" werden gemaakt door de vergunningen in te trekken. Dit document illustreert de frictie tussen de discriminerende maatregelen van de bezetter en de bestaande gemeentelijke verordeningen (zoals artikel 36 genoemd in de tekst), waarbij ambtenaren probeerden de administratieve regels rondom "billijkheid" toe te passen op een fundamenteel onrechtvaardige situatie.

Samenvatting

Dit document betreft een ambtelijk verzoek aan de burgemeester om toestemming te geven voor het terugbetalen van reeds betaald marktgeld aan Joodse kooplui. Op 13 januari 1942 werden de vergunningen van Joodse standplaatshouders collectief ingetrokken als gevolg van de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter.

De ambtenaar voert "billijkheid" (rechtvaardigheid) aan als reden voor de restitutie. Omdat de kooplui al vooruit hadden betaald voor een periode waarin zij niet meer mochten werken, acht de schrijver het redelijk dat dit geld wordt teruggegeven. Het document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van de uitsluiting van Joden uit het economische leven: terwijl hun broodwinning werd afgepakt, hield het ambtelijk apparaat zich bezig met de correcte financiële verrekening van de resterende gelden.

Historische Context

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in bezet Nederland stapsgewijs verordeningen ingevoerd die Joden uit het openbare leven weerden. Na de eerdere registratieplicht en de beperking van bewegingsvrijheid, volgde in 1941-1942 de systematische verwijdering van Joden uit beroepen en markten.

De datum van 13 januari 1942 is in veel Nederlandse gemeenten het moment waarop de lokale markten officieel "Jodenvrij" werden gemaakt door de vergunningen in te trekken. Dit document illustreert de frictie tussen de discriminerende maatregelen van de bezetter en de bestaande gemeentelijke verordeningen (zoals artikel 36 genoemd in de tekst), waarbij ambtenaren probeerden de administratieve regels rondom "billijkheid" toe te passen op een fundamenteel onrechtvaardige situatie.

Kooplieden in dit dossier 23

A.S. Kroon Uilenburg 5/71 '41
A.S. Kroon Uilenburg 5/71 '41
C.L.J. Berkhout Uilenburg 764 '39
C.L.J. Berkhout Uilenburg 764 '39
D. Espinoza Uilenburg 764 '39
D. Espinoza Uilenburg 764 '39
D. Poortvliet Uilenburg 764 '39
D. Poortvliet Uilenburg 764 '39
G. J. Roseboom Uilenburg 764 '39
K. Rozeboom Uilenburg 764 '39
G. Zwaaf-Pront. Uilenburg 764 '39
H. Dijkstra Uilenburg 764 '39
H. Dijkstra Uilenburg 764 '39
R. Hooft Uilenburg van de vier grootouders van zijn echtgenoote zijn meer dan twee van Joodschen bloede.
H. Wiersma Uilenburg 764 '39
H. Wiersma Uilenburg 764 '39
J. Zwaaf-Front Uilenburg 764 '39
L. Brandse Uilenburg 764 '39
L. Brandse Uilenburg 764 '39
Mozes Aronson Uilenburg 607 '40
Mozes Aronson Uilenburg 607 '40
A. Koedyk Uilenburg 5/172 '41
A. Koedyk Uilenburg 5/172 '41

Gerelateerde Documenten 6