Uittreksel of slotbepaling van een officiële vergunning (gecertificeerd afschrift).
Origineel
Uittreksel of slotbepaling van een officiële vergunning (gecertificeerd afschrift). 13 maart 1942. Deze vergunning zal dadelijk aan het bureau van de 2e afdeeling der 3e Politie-sectie en aan het hoofdkantoor van den Dienst van het Marktwezen moeten worden vertoond en niet van kracht zijn, wanneer niet tevens wordt vertoond een kwitantie, waaruit blijkt, dat het stand-plaatsgeld over de loopende week is betaald.
Amsterdam, 13 Maart 1942.
De Burgemeester voornoemd,
Leges f 1.-.
(get.) Voûte
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
Voor eensluidend afschrift,
de Gemeentesecretaris,
[handtekening] J. F. Franken. Het document betreft het sluitstuk van een vergunning, vermoedelijk voor een marktkoopman in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. Er worden strikte voorwaarden gesteld aan de geldigheid:
1. Toezicht: De vergunninghouder moet het document kunnen tonen aan zowel de politie (2e afdeling van de 3e sectie) als aan de Dienst van het Marktwezen.
2. Financiële verplichting: De vergunning is enkel rechtsgeldig in combinatie met een recent betalingsbewijs (kwitantie) van het wekelijkse standplaatsgeld.
3. Leges: Voor het opmaken of verstrekken van dit document is 1 gulden aan leges in rekening gebracht.
Dit specifieke blad is een "eensluidend afschrift", wat betekent dat het een officieel gewaarmerkte kopie is van het originele besluit, ondertekend door de gemeentesecretaris ter bevestiging van de authenticiteit. Het document dateert uit maart 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog. Edward Voûte, wiens naam als burgemeester wordt genoemd (get. Voûte), was door de Duitse bezetter aangesteld als regeringscommissaris/burgemeester van Amsterdam. Hij stond bekend als een collaborerend bestuurder die de Duitse verordeningen nauwgezet uitvoerde.
De nadruk op controle door de politie en de Dienst van het Marktwezen is kenmerkend voor de toenemende regulering en bureaucratisering van het dagelijks leven tijdens de bezetting. Voor marktkooplieden (waaronder tot 1941 ook veel Joodse Amsterdammers, die op het moment van dit document al grotendeels uit het economische leven waren verdreven) betekende dit een constante druk om aan administratieve en financiële eisen te voldoen om hun nering te mogen blijven uitoefenen.