Getypt ambtelijk afschrift (eensluidend afschrift) van een vergunningsvoorwaarde.
Origineel
Getypt ambtelijk afschrift (eensluidend afschrift) van een vergunningsvoorwaarde. 20 mei 1942. k. deze vergunning zal op eerste aanvraag aan alle ambtenaren van de
Politie en het Marktwezen ter inzage moeten worden overhandigd,
zoomede de kwitantie betreffende het betaalde standplaatsgeld
over de loopende,c.q.voorafgaande week.
Deze vergunning zal dadelijk aan het bureau van de 2e afdeeling
der 6e Politie-sectie en aan het hoofdkantoor van den Dienst van het
Marktwezen moeten worden vertoond en niet van kracht zijn,wanneer
niet tevens wordt vertoond een kwitantie,waaruit blijkt,dat het stand-
plaatsgeld over de loopende week is betaald.
v.d.B.
Amsterdam, 20 Mei 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) VOute
Leges f.1.-
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
Voor eensluidend afschrift
de Gemeentesecretaris,
[Handtekening: J. F. Franken] Het document bevat aanvullende voorwaarden (onder punt 'k') voor een marktvergunning in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. De kern van de tekst is de strikte verplichting voor de vergunninghouder om op elk verzoek van de politie of ambtenaren van het Marktwezen zowel de vergunning als het bewijs van betaling (kwitantie) van het standplaatsgeld te tonen.
Opvallend is de administratieve precisie: de vergunning is expliciet ongeldig als de betaling voor de lopende week niet kan worden aangetoond. Daarnaast wordt specifiek verwezen naar de "2e afdeeling der 6e Politie-sectie", wat duidt op een geografische afbakening van de vergunning (de 6e sectie bevond zich in Amsterdam-Oost, rond de Linnaeusstraat). De afkorting "v.d.B." linksboven de datum is waarschijnlijk een paraaf van de behandelend ambtenaar. Dit document stamt uit mei 1942, een periode waarin de Duitse bezetting van Nederland zich verhardde. Edward Voûte, wiens naam op het document staat, was door de bezetter aangesteld als regeringscommissaris (burgemeester) van Amsterdam nadat de democratisch gekozen gemeenteraad buitenspel was gezet.
De strikte regulering van marktwezen was in deze tijd van groot belang vanwege de schaarste aan goederen en de controle op de zwarte handel. Bovendien werden in deze periode joodse marktkooplieden steeds verder uit het openbare leven verdrongen; zij mochten vanaf medio 1941 alleen nog op specifieke "Joodse markten" staan. Hoewel dit specifieke document een algemene administratieve regel lijkt, vormt het onderdeel van een bureaucratisch apparaat dat volledige controle uitoefende op de economische en sociale bewegingen in de stad onder nationaalsocialistisch bestuur.