Officieel afschrift van een besluit van het College van Burgemeester en Wethouders.
Origineel
Officieel afschrift van een besluit van het College van Burgemeester en Wethouders. [Linksboven:]
Afschrift
No. 223 L. M. 1942
[Midden boven, stempel:]
Nº 39/36/2 M. 1942 24/3
[Rechtsboven, handgeschreven:]
HW
[Onder het stempel, handgeschreven:]
Hr. Müller
[Midden:]
[Stadswapen Amsterdam]
De BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN AMSTERDAM,
Gezien de mededeeling van Slama Edelstein, geboren 18 Juni 1904, wonende 3e Oosterparkstraat 57 I, dat hij niet langer gebruik wenscht te maken van de hem bij beschikking dd. 30 December 1939, no. 764 L.M. verleende vergunning tot het innemen van een vaste standplaats, ten verkoop van consumptieijs, op den openbaren weg, het verhoogde middengedeelte van de Museumstraat, aan de zijde van de Paulus Potterstraat;
Heeft goedgevonden de vergunning tot het innemen van een vaste standplaats, bij die beschikking verleend, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 3 Maart 1942, in te trekken.
GM
[Rechtsonder:]
Amsterdam, 20 Maart 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte [stempel]
De Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN [stempel] Dit document is een ambtelijke vastlegging van de intrekking van een ventvergunning. De tekst is opgesteld in de formele, juridische stijl die destijds gebruikelijk was voor gemeentelijke besluiten. Hoewel er gesproken wordt over een "mededeeling" van de betrokkene dat hij "niet langer gebruik wenscht te maken" van de vergunning, moet dit gezien worden in de context van de tijd. De vergunning betrof een prominente plek bij het Rijksmuseum (Museumstraat/Paulus Potterstraat). De ondertekening geschiedt namens burgemeester Edward Voûte, die tijdens de bezetting door de Duitsers was aangesteld. Het document dateert uit maart 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog. De naam van de vergunninghouder, Slama Edelstein, duidt op een Joodse achtergrond. In deze periode van de bezetting werden Joodse burgers stelselmatig uit het economische en openbare leven verdreven door middel van anti-Joodse maatregelen (beperkingen op beroepsuitoefening, bewegingsvrijheid en toegang tot publieke plaatsen).
Het "vrijwillig" opgeven van een standplaats was in veel gevallen een direct gevolg van deze verordeningen, die het voor Joden onmogelijk maakten om hun bedrijf voort te zetten of zich op bepaalde plekken in de stad te vertonen. Dit schijnbaar droge administratieve document vormt daarmee een getuigenis van de bureaucratische uitvoering van de Jodenvervolging in Amsterdam, waarbij Joodse ondernemers hun middelen van bestaan verloren.