Ambtelijk afschrift van een burgemeestersbesluit.
Origineel
Ambtelijk afschrift van een burgemeestersbesluit. 25 april 1942. [Linksboven, handgeschreven:] 39/65/101 21/5
[Linksboven, gestempeld:] 2.
Afschrift
No. L. M. 194
[Afbeelding: Wapenschild van Amsterdam]
[Rechtsboven, handgeschreven initialen en een signatuur in paarse inkt]
[Rond rood stempel met cijfer 3]
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
Heeft goedgevonden de aan
Abram de Jong,
geboren 11 December 1891, wonende Vrolikstraat 287 II, bij beschik-
king d.d. 17 Januari 1940, No.764 L.M.-1939- verleende vergunning
tot het innemen van een vaste standplaats ten verkoop van bloemen
op den openbaren weg, in de Kruislaan tusschen de Meerlaan en den
Middenweg, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942,
in te trekken.
Amsterdam, 25 April 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
[Linksonder:] K 350 Dit document is een kille, bureaucratische weergave van de uitsluiting van een burger uit het economisch verkeer. Het betreft een officieel afschrift van een besluit van de Amsterdamse burgemeester tijdens de Duitse bezetting.
De kern van het document is de intrekking van een bloemenverkoop-vergunning van Abram de Jong. Opvallend is de terugwerkende kracht: het besluit is genomen op 25 april 1942, maar de intrekking wordt geacht te zijn ingegaan op 13 januari 1942. Dit wijst op een administratieve "opschoonactie" achteraf. De ondertekenaar, Edward Voûte, was een regeringscommissaris-burgemeester die bekend stond om zijn meegaande houding ten opzichte van de Duitse bezetter. De historische context is die van de Jodenvervolging in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Abram de Jong was een Joodse Amsterdammer. In de loop van 1941 en 1942 werd het Joden door de bezetter stelselmatig onmogelijk gemaakt om hun beroep uit te oefenen. Marktvergunningen en standplaatsvergunningen van Joodse ondernemers werden massaal ingetrokken als onderdeel van de "Arisering" van de economie en de segregatie van de Joodse bevolking.
Onderzoek in de archieven (zoals het Joods Monument) bevestigt de tragische afloop van dit bureaucratische proces: Abraham de Jong, geboren op 11 december 1891, werd op 28 september 1942 vermoord in Auschwitz. Dit document markeert het moment waarop hem, enkele maanden voor zijn deportatie, zijn middel van bestaan werd ontnomen door het Amsterdamse gemeentebestuur.