Archief 745
Inventaris 745-379
Pagina 126
Jaar 1942
Stadsarchief

Officieel afschrift van een besluit van de burgemeester van Amsterdam.

25 april 1942 (met terugwerkende kracht tot 13 januari 1942).

Origineel

Officieel afschrift van een besluit van de burgemeester van Amsterdam. 25 april 1942 (met terugwerkende kracht tot 13 januari 1942). [Linksboven, handgeschreven:]
39/65/103 28/5

Afschrift
No. 223 L. M. 194 2.

[Midden boven: Wapen van Amsterdam]

[Rechtsboven, handgeschreven paraaf/tekening en een klein rood rond stempel met een 'G']

DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,

Heeft goedgevonden de aan

Barend van der Kar,

geboren 16 December 1886, wonende Muiderstraat 37, bij beschikking
d.d. 8 December 1941, No.5/348 L.M.'41 verleende vergunning tot het
innemen van een vaste standplaats ten verkoop van fruit, chocolade-
artikelen, verpakte drups, pepermunt, drop en dergelijke kleine eet-
waren op den openbaren weg, op het verhoogde voetpad van de Plantage
Middenlaan, nabij de brug over de Nieuwe Heerengracht, bij deze, ge-
rekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.
VH

Amsterdam, 25 April 1942.
De Burgemeester voornoemd,

(get.) Voûte

de Gemeentesecretaris,

(get.) J. F. FRANKEN

[Linksonder:]
K 350 Dit document is een kil, bureaucratisch bewijsstuk van de economische uitsluiting van Joodse burgers tijdens de Duitse bezetting. Het besluit regelt de intrekking van een standplaatsvergunning voor Barend van der Kar.

Opvallend is dat de vergunning pas op 8 december 1941 was verleend, maar slechts enkele maanden later, op 25 april 1942, alweer wordt ingetrokken. De intrekking geschiedt bovendien met terugwerkende kracht tot 13 januari 1942. Er wordt in de tekst geen expliciete reden gegeven voor de intrekking, wat typerend is voor de systematische ontneming van rechten van Joodse Amsterdammers in die periode. De ondertekenaar, Edward Voûte, was de door de bezetter aangestelde NSB-burgemeester die nauw faciliteerde bij de uitvoering van anti-Joodse maatregelen. De datum van dit document, april 1942, markeert een escalatiefase in de Jodenvervolging in Nederland. Kort na dit besluit, in mei 1942, werd de Jodenster verplicht gesteld. De intrekking van werkvergunningen en standplaatsen was een bewuste strategie om Joden van hun middelen van bestaan te beroven en hen sociaal en economisch te isoleren in aanloop naar de deportaties.

De betrokkene, Barend van der Kar, was een Joodse Amsterdammer. De Muiderstraat, waar hij woonde, lag in het hart van de Jodenbuurt. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat Barend van der Kar op 1 oktober 1942 is vermoord in Auschwitz, slechts vijf maanden na de datum van dit document. Ook zijn vrouw en drie van hun kinderen kwamen om in de vernietigingskampen. Dit document vormt daarmee een directe schakel in de keten van gebeurtenissen die leidde van administratieve uitsluiting naar fysieke vernietiging.

Samenvatting

Dit document is een kil, bureaucratisch bewijsstuk van de economische uitsluiting van Joodse burgers tijdens de Duitse bezetting. Het besluit regelt de intrekking van een standplaatsvergunning voor Barend van der Kar.

Opvallend is dat de vergunning pas op 8 december 1941 was verleend, maar slechts enkele maanden later, op 25 april 1942, alweer wordt ingetrokken. De intrekking geschiedt bovendien met terugwerkende kracht tot 13 januari 1942. Er wordt in de tekst geen expliciete reden gegeven voor de intrekking, wat typerend is voor de systematische ontneming van rechten van Joodse Amsterdammers in die periode. De ondertekenaar, Edward Voûte, was de door de bezetter aangestelde NSB-burgemeester die nauw faciliteerde bij de uitvoering van anti-Joodse maatregelen.

Historische Context

De datum van dit document, april 1942, markeert een escalatiefase in de Jodenvervolging in Nederland. Kort na dit besluit, in mei 1942, werd de Jodenster verplicht gesteld. De intrekking van werkvergunningen en standplaatsen was een bewuste strategie om Joden van hun middelen van bestaan te beroven en hen sociaal en economisch te isoleren in aanloop naar de deportaties.

De betrokkene, Barend van der Kar, was een Joodse Amsterdammer. De Muiderstraat, waar hij woonde, lag in het hart van de Jodenbuurt. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat Barend van der Kar op 1 oktober 1942 is vermoord in Auschwitz, slechts vijf maanden na de datum van dit document. Ook zijn vrouw en drie van hun kinderen kwamen om in de vernietigingskampen. Dit document vormt daarmee een directe schakel in de keten van gebeurtenissen die leidde van administratieve uitsluiting naar fysieke vernietiging.

Kooplieden in dit dossier 23

A.S. Kroon Uilenburg 5/71 '41
A.S. Kroon Uilenburg 5/71 '41
C.L.J. Berkhout Uilenburg 764 '39
C.L.J. Berkhout Uilenburg 764 '39
D. Espinoza Uilenburg 764 '39
D. Espinoza Uilenburg 764 '39
D. Poortvliet Uilenburg 764 '39
D. Poortvliet Uilenburg 764 '39
G. J. Roseboom Uilenburg 764 '39
K. Rozeboom Uilenburg 764 '39
G. Zwaaf-Pront. Uilenburg 764 '39
H. Dijkstra Uilenburg 764 '39
H. Dijkstra Uilenburg 764 '39
R. Hooft Uilenburg van de vier grootouders van zijn echtgenoote zijn meer dan twee van Joodschen bloede.
H. Wiersma Uilenburg 764 '39
H. Wiersma Uilenburg 764 '39
J. Zwaaf-Front Uilenburg 764 '39
L. Brandse Uilenburg 764 '39
L. Brandse Uilenburg 764 '39
Mozes Aronson Uilenburg 607 '40
Mozes Aronson Uilenburg 607 '40
A. Koedyk Uilenburg 5/172 '41
A. Koedyk Uilenburg 5/172 '41

Gerelateerde Documenten 6