Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam.
Origineel
Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam. 24 april 1942. [Stempel linksboven:] $N^{\underline{o}}$ 39/65/3 M. 1942 $^{20}/_5$
[Stempel:] Afschrift
[Handgeschreven:] 223 [doorgehaald] 2
No. L. M. 194
[Handgeschreven rechtsboven:] MW [Handtekening in blauwe inkt, mogelijk Th. Muller]
[Afbeelding: Gemeentewapen Amsterdam]
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
Heeft goedgevonden de aan Joël Cosman, geboren 31 Mei 1903, wonende Gelderschekade 47 I, bij beschikking dd. 30 December 1939, no. 764 L.M. verleende vergunning tot het innemen van een vaste standplaats, ten verkoop van bloemen op den openbaren weg:
A. het Damrak naast en aan den noordkant tegen den aldaar staanden trammast, tegenover perceel 101;
B. den Grimburgwal, aan den waterkant, achter het niet verhoogde voetpad tegenover de scheiding der perceelen Grimburgwal 15 en O.Z.Voorburgwal 334, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.
GM
Amsterdam, 24 April 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte
De Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
[Linksonder:] K 350 Dit document is een administratieve vastlegging van de intrekking van een marktvergunning. Joël Cosman, een bloemenverkoper, had sinds december 1939 toestemming om op twee prominente plekken in Amsterdam (Damrak en Grimburgwal) bloemen te verkopen.
Opmerkelijk is dat de intrekking op 24 april 1942 wordt getekend, maar met terugwerkende kracht ingaat op 13 januari 1942. De ondertekenaar, Edward Voûte, was de door de Duitse bezetter aangestelde burgemeester van Amsterdam. De term "(get.)" voor de namen geeft aan dat dit een getypt afschrift is van het originele besluit. Het document moet worden gelezen in de context van de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1941 en 1942 voerden de Duitse bezettingsautoriteiten en het collaborerende Amsterdamse stadsbestuur een reeks verordeningen in om Joodse burgers economisch te isoleren. Joodse straathandelaren en winkeliers werden systematisch hun vergunningen ontnomen.
Uit gegevens van het Joods Monument blijkt dat Joël Cosman (geboren op 31 mei 1903 te Amsterdam) inderdaad Joods was. Hij woonde op het adres Gelderschekade 47 I, zoals vermeld in het document. De intrekking van zijn vergunning was een direct gevolg van de anti-Joodse maatregelen. Joël Cosman is op 2 juli 1943 in vernietigingskamp Sobibor vermoord. Dit schijnbaar droge administratieve document vormt daarmee een tastbaar bewijs van de bureaucratische uitsluiting die voorafging aan de deportaties.