Afschrift van een officieel besluit van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Afschrift van een officieel besluit van de Gemeente Amsterdam. [Stempel/Handschrift bovenaan:]
Nº 39/65/10 M. 1942 20/5
[Rechtsboven handgeschreven:] MW. / H. Muller(?)
Afschrift
No. 223 L. M. 1942.
[Wapen van Amsterdam]
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
Overwegende, dat het gewenscht is de aan
Alexander Fransman,
geboren 2 Januari 1904, wonende Vrolikstraat 88 hs., bij beschik-
king d.d. 30 December 1939, No. 764 L.M. 1939 verleende vergun-
ning tot het innemen van een vaste standplaats, ten verkoop van
bloemen op den openbaren weg, den rijweg van de Transvaalstraat,
voor den zijgevel van perceel Linnaeusstraat 104, in te trekken;
Heeft goedgevonden de bovenvermelde vergunning bij deze,
gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.
vM
Amsterdam, 22 April 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
[Linksonder:] K 350 Dit document is een administratieve neerslag van de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Alexander Fransman, een Joodse bloemenkoopman, wordt hier formeel beroofd van zijn middel van bestaan.
Opvallend is de terugwerkende kracht van het besluit: op 22 april 1942 wordt bepaald dat de intrekking al op 13 januari 1942 is ingegaan. Dit wijst op een bureaucratische 'opschoning' achteraf om de administratie in lijn te brengen met de anti-Joodse verordeningen die in het begin van 1942 werden aangescherpt. De gebruikte term "gewenscht" is een eufemisme voor de ideologische en wettelijke dwang van de bezetter om Joden uit het straatbeeld en de handel te verwijderen. De ondertekenaar, Edward Voûte, was de door de Duitsers aangestelde burgemeester die nauw collaboreerde met de bezettingsmacht. In de loop van 1941 en 1942 voerden de Duitse bezetter en de collaborerende overheid een reeks maatregelen in die specifiek gericht waren op het onteigenen van Joods bezit en het intrekken van vergunningen voor Joodse ondernemers en marktkooplieden.
Alexander Fransman woonde in de Vrolikstraat, in het hart van de Oosterparkbuurt, een wijk met veel Joodse inwoners. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) is bekend dat Alexander Fransman de oorlog niet heeft overleefd. Hij werd op 9 juli 1943 vermoord in vernietigingskamp Sobibor. Ook zijn echtgenote en hun drie jonge kinderen kwamen om in de kampen. Dit document markeert een van de stappen in het proces van beroving en rechteloosheid die voorafgingen aan de uiteindelijke deportatie en moord.