Archief 745
Inventaris 745-379
Pagina 203
Jaar 1942
Stadsarchief

Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam.

Origineel

Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam. Nº 39/6519 M. 194 20/5
Afschrift
No. 223 L. M. 194ᵃ

DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,

Heeft goedgevonden de aan Jacob de Bruin, geboren 16 Februari 1907, wonende 3e Oosterparkstraat 91 I, bij beschikking dd. 30 December 1939, no. 764 L.M. verleende vergunning tot het innemen van een vaste standplaats, ten verkoop van bloemen, op den openbaren weg, het Damrak op het verhoogde voetpad voor het plantsoen, naast en tegen den aldaar staanden trammast, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.

GM

Amsterdam, 30 April 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte

De Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN Dit document is een administratieve vastlegging van de intrekking van een standplaatsvergunning. De details zijn zeer specifiek: het betreft een bloemenstal op het Damrak, exact gelokaliseerd bij een trammast voor het plantsoen.

Opvallend is de administratieve vertraging: het besluit is gedateerd op 30 april 1942, maar de intrekking werkt met terugwerkende kracht tot 13 januari 1942. Dit wijst vaak op een opschoning van de administratie nadat de feitelijke situatie (het stopzetten van de verkoop) al eerder had plaatsgevonden. Het document bevat diverse parafen en nummers die duiden op een zorgvuldige archivering binnen het gemeentelijk apparaat tijdens de bezetting. Het document stamt uit april 1942, een periode waarin de Duitse bezetter en het collaborerende Amsterdamse stadsbestuur (onder leiding van de door de Duitsers benoemde burgemeester Edward Voûte) de druk op de Joodse bevolking en hun economische middelen van bestaan drastisch opvoerden.

Hoewel het document de reden van intrekking niet expliciet noemt, past het in een patroon van het stelselmatig intrekken van markt- en straathandelvergunningen van Joodse Amsterdammers. Jacob de Bruin (geboren 1907) was een Joodse bloemenkoopman. Het adres 3e Oosterparkstraat 91-I bevond zich in een buurt met veel Joodse bewoners. De datum van de feitelijke intrekking (januari 1942) valt samen met de periode waarin Joden steeds verder uit het openbare economische leven werden geweerd. Onderzoek in de archieven van de Joodse Raad of de politierapporten uit die tijd bevestigt vaak dat dergelijke intrekkingen direct verband hielden met de anti-Joodse maatregelen. Jacob de Bruin is, blijkens de archieven van de Oorlogsgravenstichting, in 1944 in Midden-Europa omgekomen.

Samenvatting

Dit document is een administratieve vastlegging van de intrekking van een standplaatsvergunning. De details zijn zeer specifiek: het betreft een bloemenstal op het Damrak, exact gelokaliseerd bij een trammast voor het plantsoen.

Opvallend is de administratieve vertraging: het besluit is gedateerd op 30 april 1942, maar de intrekking werkt met terugwerkende kracht tot 13 januari 1942. Dit wijst vaak op een opschoning van de administratie nadat de feitelijke situatie (het stopzetten van de verkoop) al eerder had plaatsgevonden. Het document bevat diverse parafen en nummers die duiden op een zorgvuldige archivering binnen het gemeentelijk apparaat tijdens de bezetting.

Historische Context

Het document stamt uit april 1942, een periode waarin de Duitse bezetter en het collaborerende Amsterdamse stadsbestuur (onder leiding van de door de Duitsers benoemde burgemeester Edward Voûte) de druk op de Joodse bevolking en hun economische middelen van bestaan drastisch opvoerden.

Hoewel het document de reden van intrekking niet expliciet noemt, past het in een patroon van het stelselmatig intrekken van markt- en straathandelvergunningen van Joodse Amsterdammers. Jacob de Bruin (geboren 1907) was een Joodse bloemenkoopman. Het adres 3e Oosterparkstraat 91-I bevond zich in een buurt met veel Joodse bewoners. De datum van de feitelijke intrekking (januari 1942) valt samen met de periode waarin Joden steeds verder uit het openbare economische leven werden geweerd. Onderzoek in de archieven van de Joodse Raad of de politierapporten uit die tijd bevestigt vaak dat dergelijke intrekkingen direct verband hielden met de anti-Joodse maatregelen. Jacob de Bruin is, blijkens de archieven van de Oorlogsgravenstichting, in 1944 in Midden-Europa omgekomen.

Kooplieden in dit dossier 23

A.S. Kroon Uilenburg 5/71 '41
A.S. Kroon Uilenburg 5/71 '41
C.L.J. Berkhout Uilenburg 764 '39
C.L.J. Berkhout Uilenburg 764 '39
D. Espinoza Uilenburg 764 '39
D. Espinoza Uilenburg 764 '39
D. Poortvliet Uilenburg 764 '39
D. Poortvliet Uilenburg 764 '39
G. J. Roseboom Uilenburg 764 '39
K. Rozeboom Uilenburg 764 '39
G. Zwaaf-Pront. Uilenburg 764 '39
H. Dijkstra Uilenburg 764 '39
H. Dijkstra Uilenburg 764 '39
R. Hooft Uilenburg van de vier grootouders van zijn echtgenoote zijn meer dan twee van Joodschen bloede.
H. Wiersma Uilenburg 764 '39
H. Wiersma Uilenburg 764 '39
J. Zwaaf-Front Uilenburg 764 '39
L. Brandse Uilenburg 764 '39
L. Brandse Uilenburg 764 '39
Mozes Aronson Uilenburg 607 '40
Mozes Aronson Uilenburg 607 '40
A. Koedyk Uilenburg 5/172 '41
A. Koedyk Uilenburg 5/172 '41

Gerelateerde Documenten 6