Officieel afschrift van een besluit van het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Origineel
Officieel afschrift van een besluit van het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. Nº 39/65/14 M. 1342 20/5
Afschrift
No. 223 L. M. 193 42.
[Gemeentewapen Amsterdam]
BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN AMSTERDAM,
De XXXXXXXXXXXXXX
Overwegende, dat het gewenscht is, de aan Mozes Aronson, geboren 27 September 1895, wonende Vrolikstraat 130 II, bij beschikking d.d. 9 Mei 1941, No. 1007 L.M. 1940 verleende vergunning tot het innemen van een vaste standplaats ten verkoop van fruit op den openbaren weg, in de Tilanusstraat, voor perceel No. 57, in te trekken
Heeft goedgevonden de bovenvermelde vergunning bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.
Amsterdam, 22 April 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
[Handgeschreven rechtsboven: MW, H. Mueller] Dit document is een administratieve neerslag van de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De tekst is formeel en zakelijk van toon, maar de strekking is een directe inbreuk op het levensonderhoud van de betrokkene.
Enkele opvallende punten:
* De persoon: Mozes Aronson was een Joodse Amsterdammer. Volgens historische bronnen (zoals het Joods Monument) werd hij op 30 september 1942 in Auschwitz vermoord. Dit document, gedateerd april 1942, markeert een stap in de systematische beroving van zijn bestaansmiddelen voorafgaand aan zijn deportatie.
* Retroactieve werking: De intrekking wordt op 22 april 1942 bekrachtigd, maar gaat met terugwerkende kracht in op 13 januari 1942. Dit wijst op een administratieve inhaalslag van maatregelen die feitelijk al eerder waren opgelegd.
* Ondertekening: Het document is getekend door de nationaalsocialistische burgemeester E.J. Voûte. Hoewel er "(get.)" staat (wat duidt op een afschrift van een getekend origineel), zijn de namen gestempeld. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerden de Duitse bezetters, met medewerking van het lokale bestuur, een reeks anti-Joodse maatregelen in. In 1941 werd het Joden al verboden om op openbare markten te staan. Deze specifieke intrekking van een standplaatsvergunning in de Tilanusstraat (een zijstraat van de Weesperzijde in Amsterdam-Oost) past in de bredere politiek van 'Entjudung' (ontjoding) van de economie.
De Tilanusstraat en Vrolikstraat bevonden zich in een wijk waar veel Joodse Amsterdammers woonden en werkten. Door vergunningen voor straathandel in te trekken, werden Joodse ondernemers doelbewust brodeloos gemaakt, wat hen nog kwetsbaarder maakte voor de daaropvolgende deportaties. Dit document dient als bewijsstuk van de bureaucratische precisie waarmee de vervolging werd uitgevoerd.