Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam.
Origineel
Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam. [Linksboven, gestempeld/geschreven:]
No 39/65/21
Afschrift
No. ~~223~~ L. M. 194 [cijfer 2 boven L.M. 194]
[Midden boven: Wapen van Amsterdam]
[Rechtsboven, handgeschreven:]
Mr.
A. Muller [Handtekening]
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
Heeft goedgevonden de aan Mordechai Cohen de Lara, geboren 14 Januari 1879, wonende Blasiusstraat 117, bij beschikking dd. 28 December 1940, no. 5/315 L.M. verleende vergunning tot het innemen van een vaste standplaats, ten verkoop van haring, gerookte- en gezouten visch op den openbaren weg, den rijweg van de Blasiusstraat, voor perceel no. 133, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.
GM
[Rechtsonder:]
Amsterdam, 25 April 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte [paarse stempel]
De Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN [paarse stempel]
[Linksonder in de marge:]
K 350 Dit document is een administratieve neerslag van de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De tekst is formeel en zakelijk, maar de strekking is ingrijpend: de 63-jarige Mordechai Cohen de Lara verliest zijn bron van inkomsten.
Het betreft een intrekking van een vergunning voor een viskraam (haring, gerookte en gezouten vis) in de Blasiusstraat in Amsterdam-Oost. Opvallend is dat het besluit op 25 april 1942 wordt uitgevaardigd, maar met terugwerkende kracht ingaat op 13 januari 1942. Dit wijst op een bureaucratische afhandeling van eerdere mondelinge of collectieve verboden die Joden verboden om op markten of openbare standplaatsen te handelen.
De ondertekenaar, Edward Voûte, was de regeringscommissaris/burgemeester van Amsterdam die tijdens de bezetting collaboreerde met de Duitsers. De stempels "get. Voûte" en "J. F. Franken" duiden aan dat dit een officieel kopie-exemplaar (afschrift) is voor het archief of voor de betrokkene. In de loop van 1941 en 1942 vaardigde de bezetter, vaak uitgevoerd door de lokale overheden, een reeks verordeningen uit die specifiek gericht waren op het onteigenen van Joods bezit en het onmogelijk maken van Joodse beroepsuitoefening (de zogenaamde "Entjudung" van de economie).
Vanaf begin 1942 mochten Joden geen handel meer drijven op straat of op markten. De Blasiusstraat lag in een buurt met veel Joodse bewoners; door de vergunning in te trekken werd niet alleen de handelaar getroffen, maar werd ook de Joodse infrastructuur in de wijk verder afgebroken.
Uit archiefonderzoek (o.a. Joods Monument) blijkt dat Mordechai Cohen de Lara de oorlog niet heeft overleefd. Hij werd, samen met zijn familie, gedeporteerd. Dit document vormt een van de vele bureaucratische stappen in het proces van isolatie dat voorafging aan de deportaties naar de concentratie- en vernietigingskampen.