Archief 745
Inventaris 745-379
Pagina 287
Dossier 108
Jaar 1942
Stadsarchief

Afschrift van een officieel besluit van de Burgemeester van Amsterdam.

12 mei 1942 (datum van uitvaardiging/afschrift).

Origineel

Afschrift van een officieel besluit van de Burgemeester van Amsterdam. 12 mei 1942 (datum van uitvaardiging/afschrift). [Linksboven, paarse stempel:]
№ 39/65/97 M. 1942

[Midden boven, handgeschreven in potlood:]
20/5

[Midden boven, wapen van de gemeente Amsterdam]

[Rechtsboven, handgeschreven parafen/aantekeningen:]
Mw
Hmuijller [?]

Afschrift
No. 223 L. M. 194²

DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,

Heeft goedgevonden de aan Abraham Dobsch, wonende Vechtstraat 20 III, bij beschikking dd. 22 Februari 1940, no. 764 L.M. verleende vergunning tot het innemen van een vaste standplaats, ten verkoop van bloemen, op den openbaren weg, het Minervaplein, tegenover no. 1, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.

GM

Amsterdam, 12 MEI 1942 [stempel]

De Burgemeester voornoemd,

(get.) Voute [stempel]

De Gemeentesecretaris,

(get.) J. F. FRANKEN [stempel]

[Linksonder:]
K 350 Dit document is een formele kennisgeving van de intrekking van een handelsvergunning. De vergunning voor een vaste standplaats op het Minervaplein was in februari 1940 (vóór de Duitse inval) verleend aan Abraham Dobsch.

Twee zaken vallen op in de tekst:
1. De terugwerkende kracht: Hoewel het besluit is gedateerd op 12 mei 1942, wordt bepaald dat de intrekking al op 13 januari 1942 is ingegaan. Dit duidt op een administratieve bekrachtiging van een situatie die in de praktijk al was afgedwongen.
2. De ondertekening: Het besluit is namens E.J. Voûte getekend, de door de Duitse bezetter aangestelde nationaalsocialistische burgemeester van Amsterdam. Het document moet worden gelezen in het licht van de systematische Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Abraham Dobsch was een Joodse Amsterdammer. In de loop van 1941 en 1942 voerden de bezetter en de collaborerende gemeente Amsterdam steeds meer verordeningen in om Joden uit het economische leven te weren. Het intrekken van vergunningen voor marktkramen en standplaatsen was een standaardprocedure om Joodse ondernemers van hun levensonderhoud te beroven.

Abraham Dobsch (geboren in 1888 te Krakau) werd later gedeporteerd via Westerbork naar het vernietigingskamp Auschwitz, waar hij op 3 september 1942 werd vermoord. De intrekking van zijn bloemenvergunning in mei 1942 was een van de stappen in de volledige rechteloosmaking die aan zijn deportatie voorafging. De locatie van zijn woning in de Vechtstraat (Rivierenbuurt) was een gebied waar destijds zeer veel Joodse Amsterdammers geconcentreerd woonden.

Samenvatting

Dit document is een formele kennisgeving van de intrekking van een handelsvergunning. De vergunning voor een vaste standplaats op het Minervaplein was in februari 1940 (vóór de Duitse inval) verleend aan Abraham Dobsch.

Twee zaken vallen op in de tekst:
1. De terugwerkende kracht: Hoewel het besluit is gedateerd op 12 mei 1942, wordt bepaald dat de intrekking al op 13 januari 1942 is ingegaan. Dit duidt op een administratieve bekrachtiging van een situatie die in de praktijk al was afgedwongen.
2. De ondertekening: Het besluit is namens E.J. Voûte getekend, de door de Duitse bezetter aangestelde nationaalsocialistische burgemeester van Amsterdam.

Historische Context

Het document moet worden gelezen in het licht van de systematische Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Abraham Dobsch was een Joodse Amsterdammer. In de loop van 1941 en 1942 voerden de bezetter en de collaborerende gemeente Amsterdam steeds meer verordeningen in om Joden uit het economische leven te weren. Het intrekken van vergunningen voor marktkramen en standplaatsen was een standaardprocedure om Joodse ondernemers van hun levensonderhoud te beroven.

Abraham Dobsch (geboren in 1888 te Krakau) werd later gedeporteerd via Westerbork naar het vernietigingskamp Auschwitz, waar hij op 3 september 1942 werd vermoord. De intrekking van zijn bloemenvergunning in mei 1942 was een van de stappen in de volledige rechteloosmaking die aan zijn deportatie voorafging. De locatie van zijn woning in de Vechtstraat (Rivierenbuurt) was een gebied waar destijds zeer veel Joodse Amsterdammers geconcentreerd woonden.

Kooplieden in dit dossier 23

A.S. Kroon Uilenburg 5/71 '41
A.S. Kroon Uilenburg 5/71 '41
C.L.J. Berkhout Uilenburg 764 '39
C.L.J. Berkhout Uilenburg 764 '39
D. Espinoza Uilenburg 764 '39
D. Espinoza Uilenburg 764 '39
D. Poortvliet Uilenburg 764 '39
D. Poortvliet Uilenburg 764 '39
G. J. Roseboom Uilenburg 764 '39
K. Rozeboom Uilenburg 764 '39
G. Zwaaf-Pront. Uilenburg 764 '39
H. Dijkstra Uilenburg 764 '39
H. Dijkstra Uilenburg 764 '39
R. Hooft Uilenburg van de vier grootouders van zijn echtgenoote zijn meer dan twee van Joodschen bloede.
H. Wiersma Uilenburg 764 '39
H. Wiersma Uilenburg 764 '39
J. Zwaaf-Front Uilenburg 764 '39
L. Brandse Uilenburg 764 '39
L. Brandse Uilenburg 764 '39
Mozes Aronson Uilenburg 607 '40
Mozes Aronson Uilenburg 607 '40
A. Koedyk Uilenburg 5/172 '41
A. Koedyk Uilenburg 5/172 '41

Gerelateerde Documenten 6