Handgeschreven verzoekschrift.
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift. 23 december 1941. Weduwe R. Prins-van Weerden. Commissie der Verdeeling van Zoetwatervisch. [Linksboven, schuin geschreven en doorgehaald:]
Inschrijven
Afwijzen
[Midden boven, stempel:]
Nº 46A / 9/2 M. 1942
Edam 23 Dec 1941
Aan de Commissie der Verdeeling
van Zoetwatervisch
[Linkermarge:]
46A/9/3 M
15/1/42 Wz
M.H.H.
Ondergeteekende (Wed. R. Prins
van Weerden) verzoek in aanmer-
king te komen voor de verkoop
zoetwater visch.
De Reden van bovengenoemde
vraag is de volgende.
Mijn overleden Echtgenoot
(Meijer Prins) was altijd de
invanger der visch, en ik zijne
vrouw heb de visch verkocht.
Hij is sinds 24 Januari j.l.
overleden, nu verkoop ik nog
altijd versche zeevisch en wou
ook gaarne in de gunst vallen
voor de verkoop van zoetwater-
visch. Mijn standplaats is
Houtkopersburgwal n Het document is een formeel verzoekschrift van een weduwe om toestemming te krijgen voor de verkoop van zoetwatervis. De schrijfster, mevrouw Prins-van Weerden, voert als argument aan dat haar overleden man de visser ("invanger") was en zij altijd de verkoop deed. Na zijn overlijden in januari 1941 zet zij de handel in zeevis voort, maar zij wil haar assortiment uitbreiden met zoetwatervis om haar inkomen te behouden.
Opvallend zijn de ambtelijke aantekeningen in de marge en bovenaan. De termen "Inschrijven" en "Afwijzen" zijn beide genoteerd en vervolgens doorgehaald, wat wijst op een besluitvormingsproces binnen de commissie. De genoemde standplaats, de Houtkopersburgwal, bevond zich in de Amsterdamse Jodenbuurt. Dit document stamt uit december 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de handel in levensmiddelen, waaronder vis, strikt gereguleerd door centrale distributie-organen zoals de 'Commissie der Verdeeling van Zoetwatervisch'.
De naam van de overleden echtgenoot, Meijer Prins, en de standplaats aan de Houtkopersburgwal duiden op een Joodse achtergrond van de aanvrager. In 1941 werden de beperkingen voor Joodse marktkooplieden en handelaren door de bezetter steeds strenger. Verzoeken zoals deze waren voor weduwen vaak een laatste strohalm om legaal in hun levensonderhoud te kunnen blijven voorzien te midden van de toenemende uitsluiting en economische druk. M.H.H.
Samenvatting
Het document is een formeel verzoekschrift van een weduwe om toestemming te krijgen voor de verkoop van zoetwatervis. De schrijfster, mevrouw Prins-van Weerden, voert als argument aan dat haar overleden man de visser ("invanger") was en zij altijd de verkoop deed. Na zijn overlijden in januari 1941 zet zij de handel in zeevis voort, maar zij wil haar assortiment uitbreiden met zoetwatervis om haar inkomen te behouden.
Opvallend zijn de ambtelijke aantekeningen in de marge en bovenaan. De termen "Inschrijven" en "Afwijzen" zijn beide genoteerd en vervolgens doorgehaald, wat wijst op een besluitvormingsproces binnen de commissie. De genoemde standplaats, de Houtkopersburgwal, bevond zich in de Amsterdamse Jodenbuurt.
Historische Context
Dit document stamt uit december 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de handel in levensmiddelen, waaronder vis, strikt gereguleerd door centrale distributie-organen zoals de 'Commissie der Verdeeling van Zoetwatervisch'.
De naam van de overleden echtgenoot, Meijer Prins, en de standplaats aan de Houtkopersburgwal duiden op een Joodse achtergrond van de aanvrager. In 1941 werden de beperkingen voor Joodse marktkooplieden en handelaren door de bezetter steeds strenger. Verzoeken zoals deze waren voor weduwen vaak een laatste strohalm om legaal in hun levensonderhoud te kunnen blijven voorzien te midden van de toenemende uitsluiting en economische druk.