Handgeschreven rapport/ambtelijke correspondentie.
Origineel
Handgeschreven rapport/ambtelijke correspondentie. 18 mei 1942 (betreft gebeurtenissen op 17 mei 1942). [Koptekst]
Rapport
Amsterdam 18 Mei 1942.
Nº 46A/153/1 M.1942 19/7
[Hoofdtekst]
Zondagmorgen 17 Mei ’42 om 8 uur hoorde ik, dat er in de goederenloods, aankomst, Centraal Station 16 mandjes garnalen plus geepen en scharren, stonden voor H. Wijnschenk.
De knecht van Wijnschenk zijn op de markt geweest met geep- en schar, dus die visch hadden ze wel van spoor gehaald, maar niet de garnalen. Om over half tien werd ik opgebeld door een knecht van Wijnschenk, dat er 16 mandjes garnalen aan het spoor stonden! Op dat moment was de markt al afgelopen en was er geen mensch meer op de markt, aan wie ik de garnalen zou kunnen uitdeelen.
Ik heb dien knecht nog een standje gegeven, waarom ze wel de geepen en schar van spoor halen en de garnalen niet en Wijnschenk wist Zaterdags al dat hij Zondag morgen garnalen zou krijgen. Nu was het te laat, want er waren geen koopers meer.
Ik vind dit van Wijnschenk een gekke vertooning en ik zie er van in dat Wijnschenk niets met de garnalen op heeft.
Volgens mij, zie ik hierin een tegenwerking van H. Wijnschenk.
Hoogachtend,
[Onleesbare handtekening, mogelijk Walstra]
[Postscriptum en kanttekeningen]
P.S. Het is m.i. niet komen vast te staan dat Wijnschenk hiertegen gewerkt heeft. [Tekst doorgehaald]
Aanvulling: Wijnschenk heeft mij Zondagmorgen medegedeeld dat de garnalen per abuis door zijn knecht op het spoor zijn blijven staan. In overleg met mij zijn de garnalen verkocht aan Hagedoorn. Het geld is afgedragen aan de afslag en van de opbrengst is 5 % ingehouden. De garnalen konden niet tot Maandag verstaan [blijven staan]. 18-5-’42 de Haer.
A.N. de Haer
Insp. Marktwezen
Amsterdam Dit document betreft een intern incidentverslag van het Amsterdamse Marktwezen tijdens de bezettingsjaren. De kern van het conflict is een zending van 16 mandjes garnalen die door vishandelaar H. Wijnschenk niet tijdig van het Centraal Station werden opgehaald, terwijl andere vis (geep en schar) uit dezelfde zending wel was afgehaald.
De rapporteur beschuldigt Wijnschenk expliciet van "tegenwerking" en een "gekke vertooning". Echter, in de kanttekening van de Inspecteur (De Haer) wordt de situatie genuanceerd: het zou gaan om een fout van de knecht. De bederfelijke waar is vervolgens direct verkocht aan een andere partij (Hagedoorn) om verspilling te voorkomen, waarbij een percentage van de opbrengst is ingehouden. Het document is gedateerd mei 1942, een periode waarin de voedselvoorziening en distributie in het bezette Nederland onder streng toezicht stonden van de overheid en de bezetter. De naam Wijnschenk is een bekende naam in de Joodse Amsterdamse vishandel. Gezien de datum (mei 1942) bevonden Joodse ondernemers zich in een uiterst precaire positie door de toenemende anti-Joodse maatregelen en de inbeslagname van bedrijven door 'Verwalters'. De beschuldiging van "tegenwerking" in een officieel rapport kon in deze context zeer ernstige gevolgen hebben voor de betrokkene. De rectificatie door Inspecteur De Haer lijkt hier een poging om het incident als een louter logistieke fout af te doen. A.N. de Haer De Haer (Inspecteur) H. Wijnschenk P.S. Het Marktwezen