Doorslag van een verzonden brief (administratieve correspondentie).
Origineel
Doorslag van een verzonden brief (administratieve correspondentie). 3 Maart 1942. De Directeur (ondertekend als functie). [Handgeschreven in potlood:] Verzonden 4/3 [ernaast in pen:] A. Muller
[Rechtsboven getypt:] VD/HG.
den Heer S. Kloots,
Swammerdamstraat 51,
Amsterdam-Oost.
Wijk 11.
66/4/1 M. 3 Maart 1942.
Ten vervolge op mijn brief van 15 December jl. No. 66/19/6
M. maak ik U erop opmerkzaam, dat U tot nu toe aan het in dezen
brief gestelde geen gevolg hebt gegeven.
Ik dring er thans met klem bij U op aan, onverwijld tot be-
taling van het restant plaatsgeld Centrale Markt ad ƒ 9,97 over te
gaan. ======
De Directeur, * Inhoud: Het betreft een tweede aanmaning (dupliek) voor een openstaand bedrag. De afzender verwijst naar een eerdere brief van 15 december 1941. De geadresseerde, de heer S. Kloots, wordt gesommeerd om direct ("onverwijld") een bedrag van 9,97 gulden aan "plaatsgeld" voor de Centrale Markt te betalen.
* Toon: De toon is dwingend en formeel ("met klem", "onverwijld"). Het woord "onverwijld" is onderstreept om de urgentie te benadrukken.
* Terminologie: "Plaatsgeld" duidt op de huur of vergoeding die een handelaar betaalt voor een standplaats op de markt. Dit wijst erop dat de heer Kloots waarschijnlijk een marktkoopman of handelaar was die gebruikmaakte van de faciliteiten van de Centrale Markt in Amsterdam. * Historische periode: De brief is gedateerd op 3 maart 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode werden Joodse burgers stelselmatig uitgesloten van het economische en openbare leven.
* Geadresseerde: De heer S. Kloots (Samuel Kloots, geboren in 1891) woonde inderdaad op het adres Swammerdamstraat 51. Hij was een Joodse koopman. De Swammerdamstraat ligt in een buurt waar destijds veel Joodse Amsterdammers woonden.
* Betekenis: Deze brief illustreert de bureaucratische continuïteit tijdens de bezetting. Terwijl de Joodse bevolking te maken kreeg met steeds strengere beperkingen (zoals het verbod voor Joden om op markten te staan, afgekondigd in september 1941), bleven de gemeentelijke instanties strikt vasthouden aan de invordering van schulden. Samuel Kloots werd later gedeporteerd en is in september 1942 in Auschwitz vermoord. Dit document vormt daarmee een aangrijpend spoor van de laatste maanden van zijn leven in Amsterdam, gevangen tussen financiële vorderingen en de naderende deportatie. A. Muller S. Kloots
Samenvatting
- Inhoud: Het betreft een tweede aanmaning (dupliek) voor een openstaand bedrag. De afzender verwijst naar een eerdere brief van 15 december 1941. De geadresseerde, de heer S. Kloots, wordt gesommeerd om direct ("onverwijld") een bedrag van 9,97 gulden aan "plaatsgeld" voor de Centrale Markt te betalen.
- Toon: De toon is dwingend en formeel ("met klem", "onverwijld"). Het woord "onverwijld" is onderstreept om de urgentie te benadrukken.
- Terminologie: "Plaatsgeld" duidt op de huur of vergoeding die een handelaar betaalt voor een standplaats op de markt. Dit wijst erop dat de heer Kloots waarschijnlijk een marktkoopman of handelaar was die gebruikmaakte van de faciliteiten van de Centrale Markt in Amsterdam.
Historische Context
- Historische periode: De brief is gedateerd op 3 maart 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode werden Joodse burgers stelselmatig uitgesloten van het economische en openbare leven.
- Geadresseerde: De heer S. Kloots (Samuel Kloots, geboren in 1891) woonde inderdaad op het adres Swammerdamstraat 51. Hij was een Joodse koopman. De Swammerdamstraat ligt in een buurt waar destijds veel Joodse Amsterdammers woonden.
- Betekenis: Deze brief illustreert de bureaucratische continuïteit tijdens de bezetting. Terwijl de Joodse bevolking te maken kreeg met steeds strengere beperkingen (zoals het verbod voor Joden om op markten te staan, afgekondigd in september 1941), bleven de gemeentelijke instanties strikt vasthouden aan de invordering van schulden. Samuel Kloots werd later gedeporteerd en is in september 1942 in Auschwitz vermoord. Dit document vormt daarmee een aangrijpend spoor van de laatste maanden van zijn leven in Amsterdam, gevangen tussen financiële vorderingen en de naderende deportatie.