Archiefdocument
Origineel
14 juli 1942 De Directeur (vermoedelijk van de Technische Dienst of Markten), Amsterdam. [Handgeschreven rechtsboven:] Techn. Dienst
[Handgeschreven daaronder:] VD/HB.
[Midden-rechts:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
97/2/3 M. 1. 14 Juli 1942.
Materiaal voor
Joodsche siga-
renmakers.
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 8 dezer om advies ontvangen stuk No.632 L.M.1942, heb ik de eer U te berichten, dat mijnerzijds geen bezwaar bestaat, dat de banken, werktafels en stoelen, waarvan de Joodsche sigarenmakers in hun werkplaatsen in de hal op de Centrale Markt gebruik hebben gemaakt, aan hen worden afgestaan, tegen door den Dienst der Publieke Werken te schatten prijzen.
Ten aanzien van de droogkasten merk ik op, dat er hiervan 2 in bedoelde werkplaatsen aanwezig zijn; het is een installatie van een tegen de muur aangebouwde kast, waarvan de muur een der wanden vormt; deze installatie is aangesloten op de centrale verwarming met electrische bijregeling; beschikbaarstelling is derhalve niet mogelijk, zonder de kasten volledig te sloopen; bovendien moet een der kasten beschikbaar blijven voor de nog op de Centrale Markt werkende niet-Joodsche sigarenmakers(een zestal). Eventueel zou echter kunnen worden afgestaan een nog in de werkplaatsen aanwezige gasradiator voor gasverwarming, vooropgesteld, dat voor dit doel gas kan worden beschikbaar gesteld. Adressant zal zich hieromtrent tevoren op de hoogte moeten stellen.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk advies over de afwikkeling van inventarisgoederen die door Joodse sigarenmakers werden gebruikt op de Centrale Markt in Amsterdam. De kern van de zaak is de vraag welke materialen deze arbeiders mogen meenemen naar een nieuwe (verplichte) locatie en tegen welke prijs.
De directeur gaat akkoord met het overdragen van los meubilair (banken, tafels, stoelen), maar stelt dat de prijs bepaald moet worden door de Dienst der Publieke Werken. Hij weigert echter de overdracht van de ingebouwde droogkasten. De argumentatie hiervoor is tweeledig: technisch (het zou de installatie vernielen) en praktisch/segregerend (één kast moet achterblijven voor de zes overgebleven "niet-Joodsche" sigarenmakers).
De toon is strikt zakelijk en bureaucratisch, wat kenmerkend is voor de wijze waarop de onteigening en uitsluiting van Joden in Nederland werd geadministreerd. De datum van de brief, 14 juli 1942, is zeer precair. Dit is precies de periode waarin de grootschalige deportaties van Joden uit Nederland naar de vernietigingskampen begonnen (het eerste transport vanuit Westerbork vertrok op 15 juli 1942).
De Joodse sigarenmakers die hier worden genoemd, werden in deze fase van de bezetting uit hun reguliere werkplekken op de Centrale Markt verdreven als onderdeel van de economische uitsluiting ("Arisering" of segregatie). De "afgestane" goederen waren waarschijnlijk bedoeld voor gebruik in speciale Joodse werkplaatsen, vaak onder toezicht van de Joodse Raad, waar zij nog enige tijd moesten werken voordat zij uiteindelijk ook gedeporteerd zouden worden.
Dit document illustreert de "banaliteit van het kwaad": terwijl de Joodse bevolking werd weggevoerd, hield de Amsterdamse bureaucratie zich bezig met de marktwaarde van stoelen en de technische details van gasradiatoren en droogkasten. Het onderscheid tussen "Joodsche" en "niet-Joodsche" burgers is hier volledig genormaliseerd in de ambtelijke taal.