Archief 745
Inventaris 745-393
Pagina 167
Dossier 106
Jaar 1942
Stadsarchief

Archiefdocument

27 februari 1942 (met latere aantekening 4/3/42).

Origineel

27 februari 1942 (met latere aantekening 4/3/42). Monopolierechten
N.V. Service
Centrale Markt

A’dam, 27/2 1942
spoed
W.K.M. 99/1/2
4/3/42 HR

Onder terugzending van de met Uw kantbrief dd. 2 dezer om spoedig advies ontvangen stukken No 400 Z.M. 1941 heb ik de eer U te berichten, dat de B. en W. formeel volkomen het recht heeft te beslissen, zooals in het onderhavige geval is geschied, maar er blijkbaar verschil van meening bestaat over de vraag, wat als redelijk loonende exploitatie moet worden beschouwd. Bij dat verschil neemt de B. en W. de beslissing, welke hij zich nadrukkelijk heeft voorbehouden.

Deze beslissing is echter gegrond op gegevens, vervat in een Nota betreffende rapport, uitgebracht door den accountant-olie van de Afv. Financiën. Dit rapport baseert zich uitsluitend op de boekcijfers. Ik moge hierbij opmerken, dat de uitgaven, waartegen de accountant bezwaar maakt, tot nu toe voor dit bedrijf als normaal zijn beschouwd. Een verlies van f 200.- kan dan niet als „redelijk loonend” worden aangemerkt.

De uitgaven betreffen o.a. de afschrijvingen; gezien de onzekere tijden voor dit bedrijf zal nog wel moeten blijken, of deze niet te laag zijn gesteld.

Voorts zijn daar nog de uitgaven aan commissarissen en administratieloon, tezamen f 480.- / Na aftrek van f 200.- verlies, blijft f 280.- ook dan nog mag men dit niet als een redelijk loonende exploitatie beschouwen.

Ik acht verder een salaris v. f 35.- per week voor den leider van dit bedrijf niet te hoog; deze is nl geregeld aanwezig, omdat, ongeacht den geringen omzet, het bedrijf dit nu eenmaal noodzakelijk maakt.

Overigens is, tijdens een bespreking over het onderhavige onderwerp met de N.V. Service in september jl. mijnerzijds reeds op de betr. posten gewezen; het honorarium van de commissarissen moet worden gereduceerd, daar men van meening was, dat, gelet op de onzekere tijden, zooveel mogelijk zorg gedragen moet worden, dat de kosten laag worden gehouden. Het document is een intern advies aan de Burgemeester en Wethouders (B. en W.) van Amsterdam. De kern van de zaak is een interpretatieverschil tussen de gemeentelijke accountant en de directie van de N.V. Service over wat "redelijk loonende exploitatie" inhoudt.

  1. Formeel recht: De adviseur stelt vast dat het college van B. en W. het formele recht heeft om te beslissen, maar erkent een inhoudelijk meningsverschil.
  2. Financiële discussie: De accountant baseert zijn oordeel puur op de cijfers en maakt bezwaar tegen bepaalde uitgaven. De schrijver van de brief verdedigt deze uitgaven echter als "normaal" voor de bedrijfsvoering.
  3. Cijfermatige onderbouwing: Er wordt gesproken over een verlies van 200 gulden. Zelfs als men de kosten voor commissarissen en administratie (480 gulden) verrekent, blijft er slechts 280 gulden over, wat de schrijver te weinig vindt om van een "redelijk loonende" zaak te spreken.
  4. Salaris: Het salaris van de bedrijfsleider (35 gulden per week) wordt verdedigd omdat zijn aanwezigheid noodzakelijk is, ondanks de geringe omzet. Dit document stamt uit februari 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De Centrale Markt in Amsterdam (de huidige Food Center-locatie in West) was een cruciaal punt voor de voedselvoorziening en distributie onder het regime van de distributiestamkaarten.

De term "onzekere tijden" in de tekst is een eufemisme voor de oorlogsomstandigheden en de economische instabiliteit die daarmee gepaard ging. De N.V. Service had blijkbaar een monopoliepositie op de markt, maar de winstgevendheid stond onder druk. In deze periode greep de overheid (en de gemeente onder toezicht van de bezetter) steeds vaker in in de private bedrijfsvoering om de grip op de economie en de voedselketen te verstevigen. De discussie over "redelijke winst" versus "noodzakelijke kosten" was in die tijd een veelvoorkomend strijdpunt bij bedrijven die onder toezicht stonden.

Samenvatting

Het document is een intern advies aan de Burgemeester en Wethouders (B. en W.) van Amsterdam. De kern van de zaak is een interpretatieverschil tussen de gemeentelijke accountant en de directie van de N.V. Service over wat "redelijk loonende exploitatie" inhoudt.

  1. Formeel recht: De adviseur stelt vast dat het college van B. en W. het formele recht heeft om te beslissen, maar erkent een inhoudelijk meningsverschil.
  2. Financiële discussie: De accountant baseert zijn oordeel puur op de cijfers en maakt bezwaar tegen bepaalde uitgaven. De schrijver van de brief verdedigt deze uitgaven echter als "normaal" voor de bedrijfsvoering.
  3. Cijfermatige onderbouwing: Er wordt gesproken over een verlies van 200 gulden. Zelfs als men de kosten voor commissarissen en administratie (480 gulden) verrekent, blijft er slechts 280 gulden over, wat de schrijver te weinig vindt om van een "redelijk loonende" zaak te spreken.
  4. Salaris: Het salaris van de bedrijfsleider (35 gulden per week) wordt verdedigd omdat zijn aanwezigheid noodzakelijk is, ondanks de geringe omzet.

Historische Context

Dit document stamt uit februari 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De Centrale Markt in Amsterdam (de huidige Food Center-locatie in West) was een cruciaal punt voor de voedselvoorziening en distributie onder het regime van de distributiestamkaarten.

De term "onzekere tijden" in de tekst is een eufemisme voor de oorlogsomstandigheden en de economische instabiliteit die daarmee gepaard ging. De N.V. Service had blijkbaar een monopoliepositie op de markt, maar de winstgevendheid stond onder druk. In deze periode greep de overheid (en de gemeente onder toezicht van de bezetter) steeds vaker in in de private bedrijfsvoering om de grip op de economie en de voedselketen te verstevigen. De discussie over "redelijke winst" versus "noodzakelijke kosten" was in die tijd een veelvoorkomend strijdpunt bij bedrijven die onder toezicht stonden.

Locaties

Amsterdam (A’dam).

Kooplieden in dit dossier 4

Gerelateerde Documenten 6