Getypte zakelijke brief / memorandum (doorslag of origineel op briefpapier zonder hoofding).
Origineel
Getypte zakelijke brief / memorandum (doorslag of origineel op briefpapier zonder hoofding). Waarschijnlijk eind september of oktober 1941 (refereert aan een schrijven van 18 september 1941). Gezien de besprekingen met den Dienst van het Marktwezen, waaruit duidelijk bleek, dat ook van dien kant de beperkte mogelijkheid van verkoop van benzine c.a. als gevolg van door de Overheid stellig te treffen maatregelen, volledig werd erkend en gezien het feit, dat wij vanzelfsprekend volledig vertrouwen stelden in het onpartijdige oordeel van Burgemeester en Wethouders, hebben wij zonder verder commentaar de hierboven aangehaalde clausule aanvaard.
In het eerste jaar (1940) heeft de regeling geen enkele moeilijkheid opgeleverd. Nadat wij voor het eerste halfjaar 1940 het z.g. monopolierecht op een basis van f 400,- per jaar bij vooruitbetaling hadden voldaan, werden, op grond van het in het eerste halfjaar geleden verlies, beide partijen in onderling overleg het erover eens, dat wij voor het tweede halfjaar 1940 geen monopolierechten behoefte te betalen. Als gevolg van een tijdelijke opleving in den verkoop, voordat van Regeeringswege in het najaar van 1940 een scherpe distributie van benzine werd ingevoerd, gaven de bedrijfsresultaten over het tweede halfjaar 1940 een winst te zien. Aanvankelijk stelden wij voor, de netto-winst over 1940, na aftrek der te betalen winstbelasting, te reserveeren, omdat niet alleen wij, maar toch ook de Gemeente met het oog op de halfjaarlijks te ontvangen huur en het dienen van de vervoersbelangen voor de voedselvoorziening van Amsterdam, belang had bij het zoo lang mogelijk in bedrijf houden van onze installaties op de Centrale Markt.
Tenslotte werden wij - van onzen kant, alhoewel wij uit een oogpunt van bedrijfspolitiek ons standpunt alleszins redelijk achtten, in het bijzonder om onzen goeden wel te toonen - het er in onderling overleg met den Dienst van het Marktwezen over eens, dat wij voor het eerste halfjaar 1941 aan monopolierechten een bedrag zouden betalen van f 200,--.
Ook de besprekingen over de bedrijfsresultaten van het eerste halfjaar 1941 gaven aanvankelijk geen moeilijkheden, althans bij het betreffende overleg met den Dienst van het Marktwezen, waarbij wij als onze meening te kennen gaven, dat wij op grond van het in die periode geleden verlies, voor het tweede halfjaar 1941 geen monopolierechten zouden behoeven te betalen, is ons niets van een tegengestelde meening bij de Directie van genoemden Dienst gebleken. Dit kon ook bezwaarlijk het geval zijn, omdat immers op grond van het in het eerste halfjaar 1940 geleden verlies, voor het tweede halfjaar 1940 in onderling overleg op gelijke wijze was besloten.
Bij ons schrijven van 18 September 1941 aan den Directeur van het Marktwezen meenden wij dan ook, waar het mondeling overleg reeds had plaats gevonden, met de simpele vermelding van onze zienswijze te kunnen volstaan. De in den aanhef van ons schrijven vermelde mededeeling van den Directeur van het Marktwezen, dat het Gemeentebestuur geen aanleiding kan vinden tot kwijtschelding van monopolierechten voor het tweede halfjaar 1941 ad f 200,--, heeft ons wel zeer teleurgesteld, omdat hieruit een volkomen miskenning spreekt van onze met de Gemeente bestaande overeenkomst.
Het is namelijk niet zoo, dat door ons, wanneer een halfjaarlijksch verlies worden geleden, als een gunst ontheffing van monopolierechten moet worden aangevraagd en dat de Gemeente geheel naar eigen inzichten daarop al of niet goedgunstig kan beslissen. Integendeel zijn beide partijen hier volkomen gelijkwaardig en rust op beiden de plicht, in onderling overleg en met inachtneming van een redelijk loonende exploitatie, het monopolierecht te bepalen. Aan deze essentieele voorwaarde heeft de Gemeente, in tegenstelling met vorige halfjaren, nu niet voldaan. Immers, bij het dezerzijds met den Dienst van het Marktwezen gepleegde overleg betreffende een verlies aanwijzende eerste halfjaar 1941 is ook maar niets gebleken van eenig verschil van meening op dit punt. Wanneer achteraf wellicht andere Gemeente-instanties een ander standpunt hebben ingenomen, dan zou in ieder geval daarover met ons in overleg moeten zijn getreden, waarbij wij dan de gelegenheid zouden hebben gehad, van onzen kant ons standpunt aannemelijk te maken. Overigens is het ons volkomen onbegrijpelijk, dat de Gemeente van haar kant van meening kan zijn, dat wij een zeker bedrag aan monopolierechten voor het tweede halfjaar 1941 zouden moeten betalen. Het staat zonder meer vast, dat over het eerste halfjaar 1941 een verlies is gelden en er kan nu toch bezwaarlijk anders gehandeld worden dan na afloop van het eveneens verlies aanwijzende eerste halfjaar 1940, toen beide partijen op grond van de overeenkomst in volle overeenstemming voor het tweede halfjaar 1940 de monopolierechten hebben laten vervallen.
Het spijt ons zeer, dat wij tegen een dergelijke gang van zaken ernstig bezwaar moeten maken, met te meer klem, omdat, wanneer wij ons ter vermijding van moeilijkheden bij de beslissing van de Gemeente zouden neerleggen, wij voor het vervolg bij een onvermijdelijk en volkomen onafhankelijk van onzen wil steeds ongunstiger wordende gang van zaken, al onze rechten uit handen zouden geven. Wij kunnen er in dit verband niet genoeg den...
(Tekst breekt hier af) De tekst is een formeel bezwaarschrift of een interne uiteenzetting van een conflict tussen een particuliere onderneming (waarschijnlijk een brandstofleverancier of garagehouder) en de Gemeente Amsterdam. De kern van het geschil draait om de monopolierechten: een vergoeding die de ondernemer aan de stad betaalt voor het exclusieve recht om diensten aan te bieden op de Centrale Markt.
De auteur voert aan dat door de oorlogsomstandigheden — specifiek de invoering van benzinedistributie door de overheid in het najaar van 1940 — de verkoop drastisch is gedaald. In 1940 leidde dit al tot een tijdelijke kwijtschelding. De ondernemer betoogt dat het recht op kwijtschelding bij verlies geen "gunst" is, maar een contractuele plicht tot heronderhandeling ("onderling overleg"). Er wordt geklaagd over de bureaucratische onbuigzaamheid van de gemeente, die ondanks eerdere mondelinge toezeggingen van de Dienst van het Marktwezen, nu toch betaling eist. De toon is zakelijk maar verontwaardigd, waarbij gewezen wordt op het algemeen belang van de voedselvoorziening in Amsterdam. Het document dateert uit 1941, de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De context van schaarste en distributie is cruciaal:
1. Benzineschaarste: Direct na de inval in mei 1940 werden voorraden geconfisqueerd en werd brandstof op de bon gedaan. Dit had een enorme impact op transportbedrijven en handelaren op de Centrale Markt.
2. De Centrale Markt: Dit was (en is) het hart van de Amsterdamse voedseldistributie (gelegen aan de Jan van Galenstraat). Het in bedrijf houden van installaties daar was essentieel voor de bevoorrading van de stad onder moeilijke omstandigheden.
3. Bestuurlijke verhoudingen: De tekst laat de spanning zien tussen de gemeentelijke diensten (die de dagelijkse realiteit van de ondernemers zagen) en het hogere Gemeentebestuur, dat onder druk van de bezetter of door begrotingstekorten wellicht strenger op inkomsten toezag. De genoemde "Directeur van het Marktwezen" was in deze periode een belangrijke schakel in de distributielogistiek van de stad.