Archief 745
Inventaris 745-393
Pagina 259
Dossier 100
Jaar 1942
Stadsarchief

Officiële circulaire/dienstbrief.

11 mei 1942.

Origineel

Officiële circulaire/dienstbrief. 11 mei 1942. CENTRALE DIENST VOOR DE LEVENSMIDDELENVOORZIENING
Afd. "GEMEENTEMAGAZIJN"
Van Reigersbergenstraat 2
AMSTERDAM-W. Tel.No. 80336.

Amsterdam, 11 Mei 1942.

Aan Heeren Hoofden van Diensten en Bedrijven.

Betreft: HUISBRAND 1942/1943
Nr. 3714/20/CDL.

Ten einde voor den a.s. winter de voorziening van de Gemeente gebouwen en instellingen met brandstoffen zooveel mogelijk te verzekeren, is het noodig, te trachten, zoo spoedig mogelijk de voor de geheele winter-periode 1942/43 benoodigde hoeveelheid brandstoffen voor huisbrand in de gebouwen, waar deze brandstof wordt gebruikt of in de onmiddellijke omgeving daarvan, op te slaan.

Het streven is er op gericht, dat bij het begin van het stookseizoen 1942/43 ieder gebouw van zijn huisbrand 1942/43 is voorzien.

Het is nog niet bekend, of aan ieder voor den a.s. winter wel 100 % wordt toegewezen van hetgeen voor 1941/42 is toegewezen geweest.

Voor de beantwoording van de in dezen brief gestelde vragen dient uitgegaan te worden van de totaal verbruikte hoeveelheid brandstof in het afgeloopen stookseizoen (turf en vaste brandstof).

Ik verzoek U derhalve, voor elk van de onder U ressorteerende gebouwen ten aanzien van den huisbrand na te gaan, of U de benoodigde hoeveelheid kunt opleggen.

Het spreekt vanzelf, dat de te verwachten ernstige vervoersmoeilijkheden noodzaken te trachten, de opslagruimten zoo noodig te vergrooten. In vele gevallen kan door het treffen van eenige eenvoudige voorzieningen, het totaal benoodigde aan huisbrand of een gedeelte daarvan, wel worden opgeslagen. Verder zullen goed afgesloten binnenplaatsen benut kunnen worden en ook zal het vaak mogelijk zijn door het huren van eenige daartoe geeigende ruimte in de onmiddellijke nabijheid van het betrokken gemeente gebouw, de beschikking over de vereischte opslagruimte te krijgen.

Het behoeft geen betoog, dat de opgelegde brandstof behoorlijk afgesloten moet zijn en dat geregeld nagegaan dient te worden of veilige bewaring verzekerd is. Op het groote gevaar voor diefstal zal wel niet gewezen behoeven te worden.

Om nu zoo spoedig mogelijk de noodige maatregelen te kunnen treffen, verzoek ik U, mij voor alle onder U ressorteerende gebouwen afzonderlijk, op te geven, over hoeveel opslagruimte U kunt beschikken voor:

turf (op te geven in stuks)
en
zwarte brandstof (op te geven in Kg. en in de soort - brechcokes, anthraciet - waarmede in 1941/42 in dat gebouw is gestookt.)

Indien in een enkel geval de opslagruimte het verbruik 1941/42 overtreft, gelieve U zulks in de opgave te vermelden. Tevens zal ik gaarne vernemen, hoeveel opslagruimte in ieder gebouw te kort komt om het gestelde doel te kunnen verwezenlijken of te benaderen.

Voorts zal ik gaarne worden ingelicht omtrent U bekende gelegenheid tot opslag van grootere hoeveelheden brandstof in de nabijheid van Gemeente gebouwen.

Ik verzoek U de hierboven gevraagde gegevens per gemeente gebouw naar bijgaand model te doen opmaken en zoo spoedig mogelijk in te zenden. Voor ieder gebouw voeg ik een exemplaar toe.

Bovenstaande regeling is getroffen in opdracht van de "Warmte-Commissie", terwijl mede namens de "Warmte-Commissie" verzocht wordt in deze de grootst mogelijke medewerking te verleenen.

Een en ander geldt alleen ten aanzien van huisbrand. Aan de Hoofden van de Diensten en Inrichtingen, die tevens "Industrie"brandstoffen van het Gemeentemagazijn afnemen, moge ik verzoeken, te willen nagaan, wat door hen gedaan kan worden, om ook zoo veel mogelijk brandstoffen voor deze doeleinden in de betrokken gebouwen (of in de onmiddellijke nabijheid daarvan) op te slaan.

Gaarne zal ik hieromtrent bij afzonderlijk schrijven worden ingelicht.

De Directeur, In deze brief wordt de logistieke voorbereiding op de naderende oorlogswinter van 1942/1943 uiteengezet. De kernboodschap is decentralisatie van voorraden: brandstoffen moeten niet centraal, maar bij de eindgebruikers (gemeentelijke gebouwen) zelf worden opgeslagen.

  • Schaarste en Onzekerheid: Er wordt expliciet vermeld dat nog niet zeker is of de volledige toewijzing (100% van het voorgaande jaar) gehaald zal worden. Dit duidt op de toenemende rantsoenering tijdens de bezetting.
  • Vervoersproblematiek: De noodzaak tot vroege opslag wordt gemotiveerd door "ernstige vervoersmoeilijkheden". Tijdens de bezetting werd transportmaterieel vaak gevorderd door de Duitsers en was er een tekort aan brandstof voor vrachtwagens.
  • Veiligheid: De waarschuwing voor diefstal is tekenend voor de tijdgeest; door de toenemende tekorten werd brandstof (zoals cokes en turf) een kostbaar en diefstalgevoelig goed.
  • Administratieve controle: De "Warmte-Commissie" treedt op als coördinerend orgaan, wat past binnen de bureaucratische structuur van de distributiestrijd in oorlogstijd. Dit document stamt uit mei 1942, de periode waarin de Duitse bezetter de Nederlandse economie steeds strakker inregelde voor de eigen oorlogsvoering (Kriegswirtschaft).

Hoewel de beruchte Hongerwinter pas twee jaar later zou plaatsvinden, waren de gevolgen van de oorlog in 1942 al dagelijks voelbaar. Steenkool, de belangrijkste energiebron, werd op grote schaal naar Duitsland afgevoerd. Hierdoor ontstonden voor de Nederlandse bevolking en overheidsinstellingen nijpende tekorten. De gemeente Amsterdam probeerde met dit soort maatregelen de continuïteit van de publieke dienstverlening (zoals scholen, kantoren en ziekenhuizen) te waarborgen. De genoemde brandstoffen – turf (gedroogd veen) en zwarte brandstof (cokes/antraciet) – waren de primaire middelen om gebouwen te verwarmen in een tijd dat gas en elektriciteit beperkt beschikbaar waren voor verwarming.

Samenvatting

In deze brief wordt de logistieke voorbereiding op de naderende oorlogswinter van 1942/1943 uiteengezet. De kernboodschap is decentralisatie van voorraden: brandstoffen moeten niet centraal, maar bij de eindgebruikers (gemeentelijke gebouwen) zelf worden opgeslagen.

  • Schaarste en Onzekerheid: Er wordt expliciet vermeld dat nog niet zeker is of de volledige toewijzing (100% van het voorgaande jaar) gehaald zal worden. Dit duidt op de toenemende rantsoenering tijdens de bezetting.
  • Vervoersproblematiek: De noodzaak tot vroege opslag wordt gemotiveerd door "ernstige vervoersmoeilijkheden". Tijdens de bezetting werd transportmaterieel vaak gevorderd door de Duitsers en was er een tekort aan brandstof voor vrachtwagens.
  • Veiligheid: De waarschuwing voor diefstal is tekenend voor de tijdgeest; door de toenemende tekorten werd brandstof (zoals cokes en turf) een kostbaar en diefstalgevoelig goed.
  • Administratieve controle: De "Warmte-Commissie" treedt op als coördinerend orgaan, wat past binnen de bureaucratische structuur van de distributiestrijd in oorlogstijd.

Historische Context

Dit document stamt uit mei 1942, de periode waarin de Duitse bezetter de Nederlandse economie steeds strakker inregelde voor de eigen oorlogsvoering (Kriegswirtschaft).

Hoewel de beruchte Hongerwinter pas twee jaar later zou plaatsvinden, waren de gevolgen van de oorlog in 1942 al dagelijks voelbaar. Steenkool, de belangrijkste energiebron, werd op grote schaal naar Duitsland afgevoerd. Hierdoor ontstonden voor de Nederlandse bevolking en overheidsinstellingen nijpende tekorten. De gemeente Amsterdam probeerde met dit soort maatregelen de continuïteit van de publieke dienstverlening (zoals scholen, kantoren en ziekenhuizen) te waarborgen. De genoemde brandstoffen – turf (gedroogd veen) en zwarte brandstof (cokes/antraciet) – waren de primaire middelen om gebouwen te verwarmen in een tijd dat gas en elektriciteit beperkt beschikbaar waren voor verwarming.

Kooplieden in dit dossier 4

Gerelateerde Documenten 6