Getypte tekst (doorslag of origineel op schrijfmachine).
Origineel
Getypte tekst (doorslag of origineel op schrijfmachine). in het tweede geval ochtend- en middagzon verloren.
De zon gaat aan de zyde van den sprong altyd achter
het gevelvlak op ( ZW) resp. onder (ZO), zoodat alle
datumlynen de X as tot asymptoot hebben. Voor cotg $\alpha$ = 0
is het verlies op 21 Juni 35.16 % op 21 December 95.06 %.
Conclusie Zuidoostligging.
Er is een kenmerkend verschil tusschen den invloed
van een sprong aan de Noordoostzyde en een aan de Zuid-
westzyde. Voor een bepaalden cotg $\alpha$ is de invloed van
een sprong aan de Noordoostzyde op 21 Juni het grootst
en neemt daarna snel af, terwyl deze invloed by een
sprong aan de Zuidwestzyde juist op 21 Juni het geringst
is en daarna toeneemt, doch in veel geringer mate. Een
sprong aan de Zuidwestzyde, hoe gering ook, geeft het ge-
heele jaar door verlies.
Wordt cotg $\alpha$ grooter dan 5 à 6 dan heeft verdere ver-
grooting nog slechts weinig invloed op het verlies.
Voor Zuidwestligging gelden analoge conclusies,
waartoe alles in spiegelbeeld ten opzichte der Noord-
Zuidlyn is te bezien. * Inhoud: De tekst beschrijft het verlies aan zonlicht veroorzaakt door een "sprong" (een verspringing of uitbouw) in een gevelvlak. Er wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende oriëntaties (Noordoost, Zuidwest, Zuidoost).
* Wiskundige termen: Er wordt gebruik gemaakt van goniometrie ("cotg $\alpha$" voor de cotangens van een hoek) en geometrische concepten ("X as", "asymptoot", "spiegelbeeld"). De hoek $\alpha$ verwijst waarschijnlijk naar de hellingshoek van de zon of de geometrie van de uitbouw.
* Data: Specifieke percentages verlies worden genoemd voor de zomer- en winterzonnewende (21 juni en 21 december), wat wijst op een grondige bezonningsstudie.
* Interpunctie/Opmaak: De tekst is zakelijk en conclusief van aard. De rode markering suggereert dat dit fragment is gecontroleerd, gemarkeerd voor correctie, of onderdeel is van een specifieke selectie. Dit document is hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit een bouwkundig of stedebouwkundig rapport uit de eerste helft of het midden van de 20e eeuw (gelet op de spelling en de typografie). In deze periode, zeker met de opkomst van het Modernisme en de CIAM-gedachte, werd het belang van "licht, lucht en ruimte" wetenschappelijk onderbouwd. Architecten en ingenieurs berekenden exact hoeveel zonuren woningen zouden verliezen door de schaduw van naburige bebouwing of eigen gevelaccenten om een gezond leefklimaat te waarborgen.