Archief 745
Inventaris 745-393
Pagina 369
Dossier 17
Jaar 1942
Stadsarchief

Officieel ambtelijk bericht / Mededeling

28 Augustus 1942 Van: De Administrateur der afdeeling Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (Gemeente Amsterdam)

Origineel

Officieel ambtelijk bericht / Mededeling 28 Augustus 1942 De Administrateur der afdeeling Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (Gemeente Amsterdam) (Stempels en handgeschreven aantekeningen bovenaan het document:)
№ 101/7/1 M. 1942 2/7
911
[onleesbare parafen/handtekeningen]

No. 139 L.M. -1942-

Wijziging regeling ophalen oude materialen en afvalstoffen.

Op grond van de Oude Materialen en Afvalstoffenbeschikking No. 2, 1940 (Gem. Blad afd. 4 No. 526) is aan het Rijksbureau voor oude materialen en afvalstoffen de reorganisatie en het beheer van deze voorziening opgedragen. In vele steden van ons land is deze regeling reeds lang ingevoerd. Echter zal zij pas op 1 September a.s. alhier van toepassing worden. Dit werd voornamelijk veroorzaakt doordat deze lompenhandel bijna alleen in handen van Joden was. Van de 218 lompenventers, waren 183 Joden, een feit, dat zich elders niet voordeed. Het Rijksbureau was van oordeel dat het voor een goeden gang van zaken beter was, dezen toestand te handhaven en aan de Joodsche lompenventers, die in het vak opgegroeid zijn en warenkennis en handelsbekwaamheid hadden, ook een vergunning te geven. Het Bureau mocht hiertoe van de Duitsche autoriteiten geen toestemming verkrijgen.

Het Rijksbureau heeft de Gemeente in 107 wijken verdeeld voor het ophalen van oude materialen en afvalstoffen (behalve afvallen van levensmiddelen). Het ophalen van oude kleeren en oude meubelen (door zes personen, Joden) blijft een zaak van het Gemeentebestuur. Ter vergemakkelijking van de controle zal dezerzijds voor de 107 personen dezelfde wijkindeeling als die van het Rijksbureau worden gevolgd, in afwijking van de voor lompenventers bestaande regeling, volgens welke aan hen, behalve de postwijk Centrum (de lompenhandel is aan het Waterlooplein) een van de vier andere postwijken werd toegewezen.

In die 107 wijken zullen de door het Rijksbureau aangewezen lompenventers eens per week de waren komen afhalen. Het Bureau zal in een communiqué hiervan mededeeling doen.

In verband met de uitschakeling der Joden, heeft het Rijksbureau, om de moeilijkheden het hoofd te bieden, voor het Centrum de hulp gekregen van de volgende vereenigingen: "Liefdewerk oud Papier" (het ophalen van oud papier om niet, valt ook onder de regeling), de Industrieele Inrichting, de A.V.O., en Hulp voor Onbehuisden. Ten opzichte althans van de Industrieele Inrichting (Leger des Heils), bestaat de moeilijkheid van een zeer wisselend afhaalpersoneel. De menschen blijven soms slechts enkele weken of dagen. In een bespreking met een der leiders van de Industrieele Inrichting is voorloopig, behoudens nadere goedkeuring van den Burgemeester, afgesproken, dat de Industrieele Inrichting een vergunning zal krijgen om maximaal 14 personen in de stad, met een bewijs, door haar af te geven, de werkzaamheden te laten verrichten, en dat zij de 14 x f 5 (f 1.- leges en f 4.- ventgeld) zal betalen. Dit is een afwijking van de Ventverordening, die alleen individueele, persoonlijke ventvergunningen kent.

Nu op 1 September a.s. de nieuwe regeling in werking treedt, zullen op Vrijdag 28 Augustus in een kamer ten Stadhuize door het Rijksbureau de rijksvergunningen met zinken plaatjes, en door de Afdeeling Levensmiddelen de nieuwe (of gewijzigde) ventvergunningen worden uitgereikt. Het Rijksbureau heeft daartoe de 107 ophalers opgeroepen.

Amsterdam, 28 Augustus 1942.
De Administrateur der afdeeling
Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
[Handtekening] Dit document is een getuigenis van de systematische economische uitsluiting van de Joodse bevolking tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De tekst beschrijft de reorganisatie van de afvalinzameling en lompenhandel in Amsterdam, waarbij de nadruk ligt op de "uitschakeling" van Joodse ondernemers.

Kernpunten:
1. Gedwongen uitsluiting: Het document vermeldt expliciet dat het Rijksbureau de Joodse handelaren (die 84% van de beroepsgroep uitmaakten) hun vergunning wilde laten behouden vanwege hun expertise, maar dat de Duitse autoriteiten dit verboden.
2. Impact op de stad: De verdrijving van 183 Joodse ondernemers uit dit vakgebied veroorzaakte grote logistieke problemen, aangezien er plotseling een tekort was aan vakmensen voor de inzameling.
3. Inschakeling van derden: Om het gat te vullen dat de Joodse Amsterdammers achterlieten, werden liefdadigheidsinstellingen zoals het Leger des Heils ("Industrieele Inrichting") en "Liefdewerk oud Papier" ingeschakeld.
4. Bureaucratische uitvoering: De tekst toont hoe Nederlandse ambtenaren de discriminerende maatregelen technisch uitvoerden, inclusief het aanpassen van lokale verordeningen om de nieuwe situatie te faciliteren. In augustus 1942 was de Jodenvervolging in Nederland in een fatale fase beland. Terwijl dit document handelt over de administratieve uitsluiting van Joden uit de handel op het Waterlooplein en daarbuiten, waren de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen (via kamp Westerbork) reeds in juli van dat jaar begonnen.

De "arisering" van de economie was een bewuste strategie van de nazi's om Joden eerst van hun middelen van bestaan te beroven voordat zij fysiek werden afgevoerd. De lompenhandel was van oudsher een sector waarin veel Joodse Amsterdammers een (vaak karig) inkomen verdienden. Dit document legt de formele vernietiging van die specifieke sociaaleconomische structuur vast. Het illustreert ook de wrange realiteit dat andere organisaties de opengevallen plaatsen in de economie innamen terwijl de oorspronkelijke handelaren werden weggevoerd.

Samenvatting

Dit document is een getuigenis van de systematische economische uitsluiting van de Joodse bevolking tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De tekst beschrijft de reorganisatie van de afvalinzameling en lompenhandel in Amsterdam, waarbij de nadruk ligt op de "uitschakeling" van Joodse ondernemers.

Kernpunten:
1. Gedwongen uitsluiting: Het document vermeldt expliciet dat het Rijksbureau de Joodse handelaren (die 84% van de beroepsgroep uitmaakten) hun vergunning wilde laten behouden vanwege hun expertise, maar dat de Duitse autoriteiten dit verboden.
2. Impact op de stad: De verdrijving van 183 Joodse ondernemers uit dit vakgebied veroorzaakte grote logistieke problemen, aangezien er plotseling een tekort was aan vakmensen voor de inzameling.
3. Inschakeling van derden: Om het gat te vullen dat de Joodse Amsterdammers achterlieten, werden liefdadigheidsinstellingen zoals het Leger des Heils ("Industrieele Inrichting") en "Liefdewerk oud Papier" ingeschakeld.
4. Bureaucratische uitvoering: De tekst toont hoe Nederlandse ambtenaren de discriminerende maatregelen technisch uitvoerden, inclusief het aanpassen van lokale verordeningen om de nieuwe situatie te faciliteren.

Historische Context

In augustus 1942 was de Jodenvervolging in Nederland in een fatale fase beland. Terwijl dit document handelt over de administratieve uitsluiting van Joden uit de handel op het Waterlooplein en daarbuiten, waren de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen (via kamp Westerbork) reeds in juli van dat jaar begonnen.

De "arisering" van de economie was een bewuste strategie van de nazi's om Joden eerst van hun middelen van bestaan te beroven voordat zij fysiek werden afgevoerd. De lompenhandel was van oudsher een sector waarin veel Joodse Amsterdammers een (vaak karig) inkomen verdienden. Dit document legt de formele vernietiging van die specifieke sociaaleconomische structuur vast. Het illustreert ook de wrange realiteit dat andere organisaties de opengevallen plaatsen in de economie innamen terwijl de oorspronkelijke handelaren werden weggevoerd.

Locaties

Amsterdam

Kooplieden in dit dossier 4

Gerelateerde Documenten 6