Handgeschreven brief (ambtelijke correspondentie).
Origineel
Handgeschreven brief (ambtelijke correspondentie). 26 mei 1942. J. Meng (vermoedelijk een marktmeester of ambtenaar van het Marktwezen). Joubertstraat [linksboven]
26 Mei 1942 [rechtsboven]
Den Heer
Inspecteur
Daar J. v. Praag expl: pl: n: 23
hardhoorend is, zou ik U in over-
weging willen geven, dat mocht
J. v. Praag een losse plaats in-
nemen hem assistentie toe te staan
van zijn zoon Ph: v: Praag geb:
13-9-1915. Wat het verzoek om
restitutie aangaat, J. v. Praag
heeft op 2 Mei j: l: ; 3 weken
marktgeld bet: voor J. v. Praag
pl: n: 138 (zie kw. 4012 t/m 4014)
verder weet ik niets van dat
geval af.
J. Meng [handtekening] De brief is een administratieve mededeling betreffende een marktkoopman genaamd J. van Praag. De auteur, J. Meng, kaart twee zaken aan:
- Verzoek om assistentie: Vanwege de slechthorendheid van de heer Van Praag (exploitant van plaats nr. 23), wordt voorgesteld om hem toe te staan hulp te krijgen van zijn zoon, Philip (Ph.) van Praag (geboren 13 september 1915), indien hij een 'losse plaats' (een dagplaats) op de markt inneemt.
- Restitutiekwestie: Er is een vraag over de terugbetaling van marktgeld. Meng bevestigt dat er op 2 mei jl. voor drie weken marktgeld is betaald voor plaats 138, onder verwijzing naar specifieke kwitantienummers (4012 t/m 4014). Hij distantieert zich verder van de inhoudelijke afhandeling van deze specifieke zaak.
Het handschrift is een vlot, zakelijk cursief uit de vroege 20e eeuw, met gebruik van standaard afkortingen zoals "expl:" (exploitant), "pl: n:" (plaats nummer), "j: l:" (jongstleden) en "kw." (kwitantie). De datum van de brief, 26 mei 1942, is cruciaal voor de historische context. Nederland was op dat moment bezet door nazi-Duitsland. De genoemde locatie, de Joubertstraat, ligt in de Transvaalbuurt in Amsterdam, een wijk die door de bezetter was aangewezen als onderdeel van de "Joodsche wijk".
De achternaam "Van Praag" is een veelvoorkomende Joods-Nederlandse naam. In 1941 en 1942 voerden de bezettingsautoriteiten steeds strengere beperkingen in voor Joodse marktkooplieden. Vanaf eind 1941 mochten Joden alleen nog op speciaal aangewezen Joodse markten staan (zoals op de Gaaspstraat).
Deze brief toont de voortgang van het dagelijks leven en de bureaucratie te midden van de vervolging. Terwijl de deportaties naar de concentratie- en vernietigingskampen in de zomer van 1942 op grote schaal zouden beginnen, hielden ambtenaren en burgers zich in mei 1942 nog bezig met praktische zaken zoals restitutie van marktgeld en assistentie vanwege slechthorendheid. Het document is een treffend voorbeeld van hoe de 'banaliteit' van administratie bleef doorgaan terwijl de Joodse gemeenschap systematisch werd geïsoleerd en bedreigd. Daar J (Inspecteur) J. Meng J. van Praag Marktwezen
Samenvatting
De brief is een administratieve mededeling betreffende een marktkoopman genaamd J. van Praag. De auteur, J. Meng, kaart twee zaken aan:
- Verzoek om assistentie: Vanwege de slechthorendheid van de heer Van Praag (exploitant van plaats nr. 23), wordt voorgesteld om hem toe te staan hulp te krijgen van zijn zoon, Philip (Ph.) van Praag (geboren 13 september 1915), indien hij een 'losse plaats' (een dagplaats) op de markt inneemt.
- Restitutiekwestie: Er is een vraag over de terugbetaling van marktgeld. Meng bevestigt dat er op 2 mei jl. voor drie weken marktgeld is betaald voor plaats 138, onder verwijzing naar specifieke kwitantienummers (4012 t/m 4014). Hij distantieert zich verder van de inhoudelijke afhandeling van deze specifieke zaak.
Het handschrift is een vlot, zakelijk cursief uit de vroege 20e eeuw, met gebruik van standaard afkortingen zoals "expl:" (exploitant), "pl: n:" (plaats nummer), "j: l:" (jongstleden) en "kw." (kwitantie).
Historische Context
De datum van de brief, 26 mei 1942, is cruciaal voor de historische context. Nederland was op dat moment bezet door nazi-Duitsland. De genoemde locatie, de Joubertstraat, ligt in de Transvaalbuurt in Amsterdam, een wijk die door de bezetter was aangewezen als onderdeel van de "Joodsche wijk".
De achternaam "Van Praag" is een veelvoorkomende Joods-Nederlandse naam. In 1941 en 1942 voerden de bezettingsautoriteiten steeds strengere beperkingen in voor Joodse marktkooplieden. Vanaf eind 1941 mochten Joden alleen nog op speciaal aangewezen Joodse markten staan (zoals op de Gaaspstraat).
Deze brief toont de voortgang van het dagelijks leven en de bureaucratie te midden van de vervolging. Terwijl de deportaties naar de concentratie- en vernietigingskampen in de zomer van 1942 op grote schaal zouden beginnen, hielden ambtenaren en burgers zich in mei 1942 nog bezig met praktische zaken zoals restitutie van marktgeld en assistentie vanwege slechthorendheid. Het document is een treffend voorbeeld van hoe de 'banaliteit' van administratie bleef doorgaan terwijl de Joodse gemeenschap systematisch werd geïsoleerd en bedreigd.