Archiefdocument
Origineel
3 Salarisregeling (2e vervolg)
a om het jaar voor de salarissen beneden f 2000 ;
om de twee jaar voor de salarissen van f 2000 en hooger ;
b f 100, indien het maximum-salaris der betrekking f 1800 of minder bedraagt ;
f 150, indien het maximum-salaris der betrekking meer dan f 1800, doch niet meer dan f 2275 bedraagt ;
f 200, indien het maximum-salaris der betrekking meer dan f 2275, doch minder dan f 3250 bedraagt ;
f 300, indien het maximum-salaris der betrekking f 3250 of meer, doch minder dan f 4375 bedraagt ;
f 400, indien het maximum-salaris der betrekking f 4375 of meer, doch minder dan f 5550 bedraagt ;
f 500, indien het maximum-salaris der betrekking f 5550 of meer, doch minder dan f 9500 bedraagt ;
f 750, indien het maximum-salaris der betrekking f 9500 of meer, doch minder dan f 11.625 bedraagt ;
f 1000, indien het maximum-salaris der betrekking f 11.625 bedraagt.
IV (1) De bepaling, dat alle verhoogingen voor de salarissen beneden f 1800 (voor de ambtenaren, die op 31 December 1933 in dienst waren en op dat tijdstip den leeftijd van 23 jaar hadden bereikt, zoolang zij werkzaam blijven in dezelfde betrekking of aangesteld worden in een in dezelfde salarisgroep ingedeelde betrekking : beneden f 2000) om het jaar moeten geschieden, moet zóó worden opgevat, dat de aanvulling tot f 1800, resp. f 2000 plaats heeft na een zoodanig gedeelte van het jaar als die aanvulling deel is der periodieke verhooging.
(2) De periodieke verhooging na f 1800, resp. f 2000, wordt eventueel dan weer toegekend 2 jaar na den dag, waarop evenbedoelde verhoogingstermijn verstreken zou zijn.
Kindertoeslag.
V Aan verzorgers van gezinnen wordt boven de onder I en II vastgestelde salarissen tijdelijk toegekend een kindertoeslag van f 52 per jaar voor ieder kind beneden 18 jaar, boven het eerste kind beneden dien leeftijd.
Ongehuwdenaftrek.
VI De onder I en II vastgestelde salarissen worden verminderd met drie ten honderd, indien de ambtenaar ongehuwd is.
VII Burgemeester en Wethouders regelen, wie als verzorgers van gezinnen en wie als ongehuwden zijn aan te merken. Dit document is een pagina uit een ambtelijke salarisregeling, vermoedelijk van een Nederlandse gemeente. De tekst is opgesteld in de toen geldende spelling (vóór de hervorming van 1947), wat te zien is aan woorden als "hooger", "verhoogingen" en "zóó".
De kernpunten van de regeling zijn:
* Periodieke verhogingen: Deze zijn afhankelijk van de hoogte van het salaris. Lagere salarissen stijgen jaarlijks, hogere salarissen om de twee jaar. Het bedrag van de verhoging loopt op naarmate het maximumsalaris van de functie hoger is.
* Overgangsregeling: Artikel IV bevat een specifieke bepaling voor ambtenaren die reeds op 31 december 1933 in dienst waren en 23 jaar of ouder waren.
* Sociale toeslagen en kortingen:
* Kindertoeslag: Een bedrag van 52 gulden per jaar per kind (vanaf het tweede kind onder de 18 jaar).
* Ongehuwdenaftrek: Een korting van 3% op het salaris voor ongehuwde ambtenaren.
* Beslissingsbevoegdheid: Het college van Burgemeester en Wethouders bepaalt de interpretatie van wie als gezinshoofd of ongehuwde geldt. De regeling weerspiegelt de sociaaleconomische verhoudingen en het ambtenarenrecht van de jaren '30 in Nederland. In deze periode was het gebruikelijk dat de overheid (als werkgever) via het salarisstelsel stuurde op maatschappelijke normen.
De ongehuwdenaftrek (ook wel 'vrijgezellenbelasting' in de volksmond genoemd) was gebaseerd op de gedachte dat een alleenstaande minder kosten had dan een gezinshoofd. Het inkomen werd gezien als een middel om een gezin te onderhouden (het kostwinnersmodel). De kindertoeslag diende als een vroege vorm van kinderbijslag, die toen nog niet algemeen wettelijk geregeld was voor de hele bevolking. De genoemde datum, 31 december 1933, valt midden in de Grote Depressie, een tijd waarin de overheid fors bezuinigde op de salarissen van ambtenaren (de zogenaamde 'aanpassingspolitiek' van Colijn).