Handgeschreven ambtelijke notitie / gespreksverslag.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie / gespreksverslag. 13 en 14 oktober 1941. Bespreking op 13/10 1941 met HH.
Haasnoot en Veldkamp van Visscherij-
Centrale i.z. zijn verdeelvisch
(aal en snoekbaars)
V.C.: Het blijkt niet mogelijk thans
te voldoen aan de gegeven garantie van
30.000 pond aal of snoekbaars. Aal-
seizoen is vrijwel geëindigd en snoek-
baarsvangst valt tegen. Derhalve voorstel
om aan te vullen met andere zoetwater-
vischsoorten als karper, voorn, bleek,
baars, snoek e.d.
Dir. hiertegen geen bezwaar, echter
moet vaststaan, dat wanneer voldoende
aal of snoekbaars beschikbaar is, deze
in eerste plaats zullen worden geleverd.
Bovendien 30.000 pond minimum!
Hr. Haasnoot geeft garantie, dat wanneer
vangsten zouden meevallen, in de eerste
plaats aan Amsterdam zal worden gedacht,
wat de voorziening betreft.
Hi. daarna een en ander mondeling
op 13/10 besproken met Hr. Reitsma. Deze
is van meening, dat voor uitbreiding heffing
2% op de afslag tot alle zoetwatervischsoorten
geen nieuw voorstel aan W.h.M. behoeft
te worden ingediend, maar dat verhooging
machtiging 2% voor aal en snoekbaars
ook kan worden toegepast op overige zoet-
watervisch.
Hiervan telefonisch Hr. Veldkamp op 14/10
op de hoogte gebracht, die thans circulaire
zal uitsturen.
(w.g.) D. Het document is een interne ambtelijke notitie over de visvoorziening tijdens de bezettingsjaren. Het kernprobleem is de schaarste: de Visscherij-Centrale (V.C.) kan de gegarandeerde hoeveelheid van 30.000 pond kwaliteitsvis (aal en snoekbaars) niet leveren vanwege het einde van het seizoen en tegenvallende vangsten. Er wordt overeengekomen dat dit tekort mag worden aangevuld met minder courante zoetwatervis ("bijvis" zoals voorn en bleek), mits Amsterdam prioriteit krijgt zodra de betere vissoorten weer beschikbaar zijn.
Het tweede deel van de notitie betreft een administratieve/financiële kwestie: de heffing van 2% op de visafslag. Er wordt geconcludeerd dat de bestaande machtiging voor deze heffing breed genoeg is om ook op de andere zoetwatervissoorten te worden toegepast, zonder dat er een nieuw voorstel naar de hogere autoriteit (waarschijnlijk het departement van Landbouw en Visscherij, hier aangeduid als W.h.M.) hoeft. De datum, oktober 1941, plaatst dit document midden in de periode van de Duitse bezetting van Nederland. Tijdens deze periode was de voedselvoorziening streng gereguleerd via centrale organen zoals de Visscherij-Centrale. Er was sprake van toenemende schaarste en distributieproblemen. Vis was een belangrijke eiwitbron, maar veel vangst werd door de bezetter geconfisqueerd of naar Duitsland getransporteerd. De zorg van de Amsterdamse directie om de "30.000 pond minimum" vast te houden, weerspiegelt de groeiende druk op de stedelijke voedselvoorziening. De afkorting "W.h.M." verwijst zeer waarschijnlijk naar de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied of de betreffende secretaris-generaal van het departement.