Handgeschreven notitie of kladversie van een rapportage.
Origineel
Handgeschreven notitie of kladversie van een rapportage. Joodsche handelaars op gebied
naar verhouding der bevolking
nl. klein handel 20 %;
Cijfer vergelijking [?] in
groenten, fruit & aardappelen.
Rechtstreeks gevolg van doordat
joden zich den aard der zaak
op handel hebben geworpen & wel
meer in bijzonder op straathandel.
~~[regel doorgestreept: Ik vertrouw de zaak]~~
Joodsche handel straatlijk onder
niet joden, zoowel als joden.
Tevens wordt vastgesteld
vanwege Visscherijcentrale
waarbij zooveel mogelijk rek.
gehouden met vroegere omzet.
Betreft alles straathandel.
Winkeliers betrokken direct. * Inhoud: De tekst poogt het grote aandeel van Joodse handelaren in de kleinhandel te kwantificeren (genoemd wordt 20%) en te verklaren. Er wordt specifiek gewezen op sectoren als groenten, fruit, aardappelen en vis.
* Observaties: De schrijver merkt op dat dit hoge percentage een gevolg is van het feit dat Joden zich uit "aard der zaak" op de handel hebben toegelegd, specifiek de straathandel.
* Administratieve context: Er wordt verwezen naar de "Visscherijcentrale", een distributie-orgaan. Dit suggereert dat deze aantekeningen bedoeld waren voor het opstellen van beleid rondom vergunningen of distributiequota, waarbij gekeken werd naar historische omzetcijfers.
* Toon: De tekst is zakelijk-registrerend, maar bevat de destijds gangbare generalisaties over de Joodse bevolking ("aard der zaak"). Dit document moet geplaatst worden in de context van de economische uitsluiting van Joden tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). In deze periode werden Joodse ondernemers verplicht hun bedrijven te registreren (Verordening 189/1940). De bezetter en collaborerende instanties zochten naar data om de "Arisering" van de economie te rechtvaardigen en uit te voeren. Vooral in Amsterdam was het aandeel Joodse handelaren in de markt- en straathandel aanzienlijk; dergelijke rapportages waren vaak de opmaat naar het intrekken van standplaatsvergunningen of het verbieden van handel door Joden. De vermelding van de Visscherijcentrale duidt op de bureaucratische controle op de voedselvoorziening tijdens de oorlogsjaren.
Samenvatting
- Inhoud: De tekst poogt het grote aandeel van Joodse handelaren in de kleinhandel te kwantificeren (genoemd wordt 20%) en te verklaren. Er wordt specifiek gewezen op sectoren als groenten, fruit, aardappelen en vis.
- Observaties: De schrijver merkt op dat dit hoge percentage een gevolg is van het feit dat Joden zich uit "aard der zaak" op de handel hebben toegelegd, specifiek de straathandel.
- Administratieve context: Er wordt verwezen naar de "Visscherijcentrale", een distributie-orgaan. Dit suggereert dat deze aantekeningen bedoeld waren voor het opstellen van beleid rondom vergunningen of distributiequota, waarbij gekeken werd naar historische omzetcijfers.
- Toon: De tekst is zakelijk-registrerend, maar bevat de destijds gangbare generalisaties over de Joodse bevolking ("aard der zaak").
Historische Context
Dit document moet geplaatst worden in de context van de economische uitsluiting van Joden tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). In deze periode werden Joodse ondernemers verplicht hun bedrijven te registreren (Verordening 189/1940). De bezetter en collaborerende instanties zochten naar data om de "Arisering" van de economie te rechtvaardigen en uit te voeren. Vooral in Amsterdam was het aandeel Joodse handelaren in de markt- en straathandel aanzienlijk; dergelijke rapportages waren vaak de opmaat naar het intrekken van standplaatsvergunningen of het verbieden van handel door Joden. De vermelding van de Visscherijcentrale duidt op de bureaucratische controle op de voedselvoorziening tijdens de oorlogsjaren.