Handgeschreven notitie/memorandum op gelinieerd bruin papier.
Origineel
Handgeschreven notitie/memorandum op gelinieerd bruin papier. In normale tijden aanvoer
op buitenterrein
aal en paling ± 100.000 pond per maand
(is voor straathandel in ’t algemeen)
daarbij rekenen voor winkeliers:
100.000 pond
en voor Volendammers 100.000 pond
gem. 300.000 pond versche
aal en paling, dus per week
80.000 pond aal en paling
Zoetwatervisch ± 40.000 pond per
week.
Zeevisch ?
400 menschen op verdeellijst
Veltkamp stelt voor: 60.000 pond
per week = gem. 150 pond per week,
en per pond à gem. 0,10 verdiensten
= f 15.- inkomsten per week.
(daarbij ev. zeevisch en garnalen)
Winkeliers kunnen hiervan toch niet
bestaan. Het document is een economische analyse of een pleitnota betreffende de visdistributie. De auteur vergelijkt de "normale" aanvoercijfers met een voorgestelde distributieregeling.
- Aanvoerstatistieken: In normale tijden wordt de maandelijkse aanvoer van aal en paling geschat op 300.000 pond (verdeeld over straathandel, winkeliers en "Volendammers"). Dit wordt omgerekend naar een wekelijks gemiddelde van ongeveer 80.000 pond.
- De verdeellijst: Er is sprake van een lijst met 400 gerechtigden (waarschijnlijk visverkopers). Een zekere Veltkamp stelt voor om 60.000 pond per week beschikbaar te stellen voor deze groep.
- Inkomstenberekening: De berekening is als volgt: 60.000 pond gedeeld door 400 personen komt neer op 150 pond vis per persoon per week. Bij een geschatte winstmarge van 10 cent (f 0,10) per pond, genereert dit een weekinkomen van 15 gulden.
- Conclusie van de auteur: De auteur eindigt met een kritische noot: een inkomen van 15 gulden per week is onvoldoende voor een winkelier om van te kunnen bestaan, zelfs als daar nog wat inkomsten uit zeevis of garnalen bij komen. De term "verdeellijst" is een sterke aanwijzing dat dit document geschreven is in een tijd van distributie en rantsoenering, zeer waarschijnlijk tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). In deze periode was de handel in schaarse goederen zoals vis strikt gereguleerd door de overheid.
De genoemde "15 gulden per week" was in die tijd inderdaad een zeer laag bedrag, dat vaak werd aangehaald als de ondergrens van het bestaansminimum voor een gezin. De notitie lijkt dan ook een voorbereiding te zijn voor een overleg of protest tegen de voorgestelde quota, waarbij aangetoond wordt dat de voorgestelde hoeveelheden vis te laag zijn om de detailhandel in stand te houden. Het onderscheid tussen "straathandel", "winkeliers" en "Volendammers" (die vaak met hun eigen karren door het land trokken) weerspiegelt de toenmalige structuur van de visdetailhandel.