Ambtsverslag / Rapport van het Marktwezen.
Origineel
Ambtsverslag / Rapport van het Marktwezen. 18 november 1944. R A P P O R T.
Ondergeteekende,C.Veerman, ambtenaar bij het Marktwezen rapporteert U het navolgende:
Op Zaterdag 18 November 1944 bevond ik mij in het pakhuis Hal 14, verhuurd aan den grossier P.van Vliet. Er bevonden zich aldaar 20 zakken à 15 kg. knolselderie en 1 kist à 15 kg. knolselderie. Van Vliet beweerde hiervan niets te weten en wees als eigenaar aan zijn knecht, die mij opgaf te zijn genaamd:
Jacob van Delft,
geboren 12 Juli 1901, wonende Koestraat 4 te Rijnsburg, beroep tuindersknecht. Van Delft kon mij geen geldige papieren van deze groente toonen. Hij verklaarde mij: "Deze knolselderie heb ik zelf geteeld en met schipper Van Noort naar de Centrale Markt vervoerd. Het is mijn bedoeling deze knolselderie hier te verkoopen. Ik ben personeel van den grossier P.van Vliet en heb als zoodanig toegang tot de Centrale Markt. Van Vliet wist hiervan niets af. Ik weet dat ik niet gerechtigd ben deze groothandel op de Centrale Markt uit te oefenen.
Ik heb de partij in beslaggenomen en ter beschikking gesteld van Hr.Broerse.
De toegangskaart van Van Delft gaat hierbij. Waarvan op ambte-eed dit rapport te Amsterdam den 18 November 1944.
De ambtenaar voornoemd,
w.g. C.Veerman.
Aan den Heer Directeur
van het Marktwezen. Dit rapport beschrijft een economisch delict tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Een tuindersknecht uit Rijnsburg, Jacob van Delft, heeft geprobeerd buiten de officiële distributiekanalen om een aanzienlijke hoeveelheid knolselderij (totaal 315 kg) te verkopen op de Centrale Markt in Amsterdam. Hij maakte hierbij gebruik van zijn functie bij een erkende grossier om toegang te krijgen tot het terrein.
De ambtenaar, C. Veerman, stelde vast dat Van Delft niet beschikte over de noodzakelijke papieren (zoals vervoers- of veilbewijzen). De bekentenis van Van Delft is opmerkelijk direct; hij geeft toe dat hij wist dat hij niet gerechtigd was om deze handel te drijven. De goederen zijn direct geconfisqueerd. Het document toont de strenge handhaving aan op de voedseldistributie en de strijd tegen de 'sluikhandel' in die periode. De datum van het rapport, 18 november 1944, is cruciaal voor het begrip van de ernst van de situatie. Nederland bevond zich op dat moment in de Hongerwinter. In de grote steden van West-Nederland, waaronder Amsterdam, was er een nijpend tekort aan voedsel door de spoorwegstaking en de Duitse blokkades.
De Centrale Markt in Amsterdam was het zenuwcentrum voor de legale voedseldistributie. Omdat de zwarte marktprijzen astronomisch hoog waren, probeerden velen – zoals hier een tuinder uit het tuinbouwgebied Rijnsburg – eigen producten direct naar de stad te smokkelen om de officiële veilingen en distributieregels te omzeilen. Het "Marktwezen" hield scherp toezicht om te voorkomen dat voorraden uit het officiële circuit verdwenen. De inbeslagname van 315 kilo knolselderij was in die tijd een significante vangst, aangezien dergelijke hoeveelheden het verschil konden maken tussen leven en dood voor honderden stadsbewoners.