Archief 745
Inventaris 745-427
Pagina 202
Dossier 90
Jaar 1944
Stadsarchief

Getypte ambtelijke brief (doorslag).

21 augustus 1944. Van: Waarschijnlijk een afdelingshoofd of directeur binnen de Gemeente Amsterdam (gezien de verwijzing naar de Centrale Markt en de Wethouder voor de Levensmiddelen).

Origineel

Getypte ambtelijke brief (doorslag). 21 augustus 1944. Waarschijnlijk een afdelingshoofd of directeur binnen de Gemeente Amsterdam (gezien de verwijzing naar de Centrale Markt en de Wethouder voor de Levensmiddelen). 37/85/2M. [Handgeschreven: verzonden ms] VD/SV.

21 Augustus 1944.

kortebaandraverijen
op Centrale Markt.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
===========

Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 10 Augustus jl. om spoedig advies ontvangen stukken no. 669 L.M. 1944 heb ik de eer U het volgende te berichten.
In de jaren 1936 en 1937 is de Hal op de Centrale Markt verschillende malen gebruikt voor andere doeleinden, dan waarvoor de markt was bestemd namelijk voor het houden van groote vergaderingen onder andere van toenmalige politieke partijen. De beschikbaarstelling van gedeelten der markt heeft toen groote moeilijkheden opgeleverd met de belasting-autoriteiten omdat naar de meening van dezen daardoor de reden tot vrijstelling van personeele belasting -krachtens artikel 4 dier Wet op de Personeele Belasting- en van de grondbelasting -krachtens artikel 25 lid 1 dier Wet- ophield te bestaan. Met groote moeite is het toenmaals, een keer zelfs door interventie van een der Ministers, gelukt om toestemming te krijgen tot het gebruik van de marktinrichtingen voor andere doeleinden zonder dat een aanslag welke tienduizenden guldens per jaar zou hebben bedragen, daarvan het gevolg zou zijn geweest. Verwezen moge worden naar de terzake in die jaren gevoerde correspondentie no's L.M. no. 366 1936; 1021 1936; 380 1937 en 636 1937. In 1939 is, bij het optreden van een nieuwen functionaris der grondbelasting de aanvankelijk verleende vrijdom ingetrokken en werd de Gemeente alhier al voor deze belasting aangeslagen voor een bedrag van f. 10.000.- per jaar wegens de omstandigheid, dat zij op de Centrale Markt pakhuisen zou "verhuren".
Hieromtrent worde verwezen naar de terzake gevoerde correspondentie van 31 Mei 1939 en 27 September 1939 no. 37/93/2 en 93/4 M (Uw no. 360 L.M. 1939). De Gemeente is tegen deze aanslag in beroep gegaan bij Gedeputeerde Staten welk beroep gegrond werd verklaard.
Aanvragen voor het houden van wedstrijden (onder andere wielerwedstrijden, gymnastiek en muziek-uitvoeringen) zijn tot nu toe, voornamelijk ook op grond van bezwaar van fiscalen aard geweigerd. (vide bijv. den brief van Burgemeester en Wethouders d.d. 15 October 1937 no. 636 L.M. 1937 aan den N.A.S.B.).
Tot nu toe is derhalve het bedrijf der Centrale Markt vrijgesteld van personeele- en grondbelasting; wanneer de Centrale Markt evenwel voor het thans gevraagde doel zou worden gebruikt, dan zou ongetwijfeld een aanslag in de grondbelasting en wellicht ook in de personeelebelasting worden opgelegd, omdat de markt dan niet meer beschouwd zou worden als uitsluitend Deze ambtelijke brief dient als een negatief advies aan de Wethouder voor de Levensmiddelen betreffende het verzoek om kortebaandraverijen (paardenraces) te houden op het terrein van de Centrale Markt (waarschijnlijk de Centrale Markthal in Amsterdam).

De kern van het argument is puur juridisch-fiscaal van aard. De schrijver herinnert de wethouder aan eerdere conflicten met de belastingdienst in de jaren '30. Destijds werden politieke bijeenkomsten en het verhuren van opslagruimte gezien als 'oneigenlijk gebruik', waardoor de markt haar belastingvrijstelling (voor personele- en grondbelasting) dreigde te verliezen. De schrijver waarschuwt dat het toestaan van sportwedstrijden zoals drafsport de gemeente opnieuw tienduizenden guldens aan belastingaanslagen zou kunnen kosten, omdat het terrein dan niet meer als "uitsluitend" bestemd voor de openbare marktvoorziening zou worden aangemerkt. Het document dateert van 21 augustus 1944, een kritieke fase in de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Slechts enkele weken later zou 'Dolle Dinsdag' plaatsvinden en zou de voedselvoorziening in de grote steden door de spoorwegstaking en de naderende winter (de Hongerwinter) volledig ontwricht raken.

Ondanks de oorlogsomstandigheden en de Duitse bezetting, toont dit document aan dat de ambtelijke molens van de gemeente Amsterdam op een zeer 'normale', bureaucratische wijze door bleven draaien. Men hield zich vast aan vooroorlogse fiscale wetgeving en eerdere correspondentie uit 1936-1939. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in die tijd een cruciale figuur, verantwoordelijk voor de schaarse voedseldistributie via locaties als de Centrale Markt. Het verzoek voor kortebaandraverijen was waarschijnlijk een poging om vertier te organiseren voor de bevolking, maar werd hier dus op formele gronden geblokkeerd.

Samenvatting

Deze ambtelijke brief dient als een negatief advies aan de Wethouder voor de Levensmiddelen betreffende het verzoek om kortebaandraverijen (paardenraces) te houden op het terrein van de Centrale Markt (waarschijnlijk de Centrale Markthal in Amsterdam).

De kern van het argument is puur juridisch-fiscaal van aard. De schrijver herinnert de wethouder aan eerdere conflicten met de belastingdienst in de jaren '30. Destijds werden politieke bijeenkomsten en het verhuren van opslagruimte gezien als 'oneigenlijk gebruik', waardoor de markt haar belastingvrijstelling (voor personele- en grondbelasting) dreigde te verliezen. De schrijver waarschuwt dat het toestaan van sportwedstrijden zoals drafsport de gemeente opnieuw tienduizenden guldens aan belastingaanslagen zou kunnen kosten, omdat het terrein dan niet meer als "uitsluitend" bestemd voor de openbare marktvoorziening zou worden aangemerkt.

Historische Context

Het document dateert van 21 augustus 1944, een kritieke fase in de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Slechts enkele weken later zou 'Dolle Dinsdag' plaatsvinden en zou de voedselvoorziening in de grote steden door de spoorwegstaking en de naderende winter (de Hongerwinter) volledig ontwricht raken.

Ondanks de oorlogsomstandigheden en de Duitse bezetting, toont dit document aan dat de ambtelijke molens van de gemeente Amsterdam op een zeer 'normale', bureaucratische wijze door bleven draaien. Men hield zich vast aan vooroorlogse fiscale wetgeving en eerdere correspondentie uit 1936-1939. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in die tijd een cruciale figuur, verantwoordelijk voor de schaarse voedseldistributie via locaties als de Centrale Markt. Het verzoek voor kortebaandraverijen was waarschijnlijk een poging om vertier te organiseren voor de bevolking, maar werd hier dus op formele gronden geblokkeerd.

Kooplieden in dit dossier 100

A. den Heyer Rijnsb.7 Rijnsb.7
A.den Heyer Rijnsb.7 Rijnsb.7
A.den Heyer Rijnsb.7 Rijnsb.7
A.F. Kitz 35221
A.F. Kitz 35221
A.F. Kitz 35221
A. Spanjaard 133.34 ✓
A. v.d. Mekke 233.34
C. de Jong 84040
C. de Jong 84040
C. de Jong 84040
C. de Mooij 100 – ✓
C. Kooy 8457 2
C. Kooy 84572
C. Kooy 84572
C. Kooy 84572
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 3