Archiefdocument
Origineel
4 juli [1919?] (Gezien de '9' in de datumregel en de context van de Wethouder voor de Levensmiddelen). De Directeur (van de betreffende gemeentelijke dienst). 1 4 Juli 9
37/127/4 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
heerd zyn gelaten.
Thans vraagt hy, dat de Gemeente de schade zal
vergoeden, die hy beweert te hebben geleden door het brandje,
waarover ik U op 7 Juni jl. rapporteerde. Hy laat echter na,
aan te toonen of zelfs maar aannemelyk te maken, dat de
schade aan nalatigheid der Gemeente zou zyn te wyten. Hier-
van is dan ook in het geheel geen sprake, weshalve inwilli-
ging van dit verzoek, naar myn meening, niet in overweging
kan worden genomen.
Ik heb de eer U te adviseeren aan Knoop te doen
berichten, dat de door hem ingediende klachten by onderzoek
ongegrond zyn gebleken en dat zyn verzoek om schadevergoe-
ding niet voor inwilliging in aanmerking kan komen.
De Directeur,
Accoord met door Directeur
geparafeerde minute.
De Secretaris: Dit document is een ambtelijk advies gericht aan de Amsterdamse Wethouder voor de Levensmiddelen. De kern van het schrijven is de afwijzing van een claim voor schadevergoeding door een persoon genaamd Knoop. De schade zou zijn ontstaan door een "brandje" waarover eerder is gerapporteerd.
De directeur stelt vast dat er geen enkel bewijs is geleverd voor nalatigheid van de zijde van de gemeente. Het taalgebruik is formeel en typerend voor de vroege 20e eeuw, met archaïsche spelling zoals "zyn", "myn" en "aannemelyk". De brief eindigt met een procedurele opmerking van de secretaris, die bevestigt dat het besluit in overeenstemming is met de door de directeur goedgekeurde concept-tekst (de "geparafeerde minute"). De functie "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in Amsterdam bijzonder relevant tijdens en kort na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Hoewel Nederland neutraal was, was er sprake van grote schaarste en rantsoenering, wat leidde tot de oprichting van de Gemeentelijke Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening.
Het jaar '9' in de rechterbovenhoek duidt zeer waarschijnlijk op 1919. In deze periode werden veel claims en klachten afgehandeld die verband hielden met de distributie en opslag van goederen. De zakelijke, bijna afwijzende toon van de directeur suggereert een strikte handhaving van de gemeentelijke aansprakelijkheid in een tijd van economische heropbouw en administratieve drukte.