Brief op officieel briefpapier.
Origineel
Brief op officieel briefpapier. 22 september 1939. De Financiële Commissie van het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen (gevestigd aan de Lijnbaansgracht 366, Amsterdam-C). Den Heer Directeur van de Centrale Markthallen, Amsterdam-W. [Linksboven, deels gestempeld/handgeschreven:]
No 37/106/1 'M. 1939 23/9
COMITE VOOR BIJZONDERE JOODSCHE BELANGEN
FINANCIËELE COMMISSIE
[Linkerkolom - Briefhoofd gegevens:]
UITVOEREND COMITÉ:
A. ASSCHER, Voorzitter,
Tolstraat, Amsterdam
PROF. DR. D. COHEN, Secretaris,
Van Breestraat 172, Amsterdam
S. VAN DEN BERGH, Wassenaar,
Lid v. d. 1e Kamer der Staten Gen.
A. SPANJAARD, ’s-Gravenhage
MR. L. E. VISSER, ’s-Gravenhage,
President van den
Hoogen Raad der Nederlanden
FINANCIEELE COMMISSIE:
VAN HET „NOODFONDS 1933”:
PROF. DR. D. COHEN, Voorzitter
H. GOMPERTS, Vice-Voorzitter
MR. G. SALOMONSON, Secretaris
JOSEPH GOMPERS, Secretaris
S. HENRIQUES DE SOUZA,
Penningmeester
POSTGIRO NUMMER 214500
ten name van
Prof. Dr. D. Cohen - „Noodfonds 1933”
Amsterdam
Bankrelatie: INCASSO-BANK N.V.
Stadhouderskade 123, Amsterdam-Z.
Accountants-contrôle
E. van Dien
[Rechterkolom - Adres en datum:]
X/Gr./L.
Amsterdam-C., 22 September 1939.
Lijnbaansgracht 366
Telefoon 45390 - 45890 - 49813 - 49906 - 44575 - 45144
Den Heer Directeur van de
Centrale Markthallen,
A m s t e r d a m –W.
[In de marge rechts, handgeschreven:]
mit Brouwer [onzeker]
Weledele Heer,
Hiermede verzoeken wij U beleefd ons in het bezit te willen stellen van een doorloopend bewijs van toegang ten name van den Heer G.W.Rijke, hetwelk wij benoodigen voor het incasseeren van kwitanties bij firma’s, die hun kantoren in de Centrale Markthallen gevestigd hebben. [Handgeschreven vraagteken „?!” in de marge]
U bij voorbaat beleefd dankend,
Hoogachtend,
COMITE VOOR BIJZONDERE JOODSCHE BELANGEN
Financiëele Commissie
[Handtekening, mogelijk J. Gompers]
[Handgeschreven paraaf]
[Onderaan links:]
10.000-Juni-’39
[Rechtsonder, handgeschreven:]
37 Dit document is een formele administratieve aanvraag van het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen (CBJB) aan de directie van de Amsterdamse Centrale Markthallen. De kern van de brief is het verzoek om een permanente toegangspas voor de heer G.W. Rijke. Deze persoon fungeerde blijkbaar als incassant voor het Comité; hij moest openstaande rekeningen of donaties („kwitanties”) innen bij bedrijven die op het terrein van de Markthallen gevestigd waren.
Opvallend is de lijst met namen in het briefhoofd. Dit betreft de top van de toenmalige Joodse gemeenschap in Nederland, waaronder Abraham Asscher en David Cohen, die later onder de Duitse bezetting de leiding zouden krijgen over de Joodse Raad. Ook de aanwezigheid van Mr. L.E. Visser (President van de Hoge Raad) en S. van den Bergh (Lid van de Eerste Kamer) onderstreept de hoge maatschappelijke status en de officiële aard van het Comité op dat moment.
De handgeschreven aantekeningen („?!” en een naam/opmerking in de marge) suggereren dat de ontvangende partij (de Markthallen) wellicht vragen had bij de noodzaak of de identiteit van de genoemde persoon. De datum van de brief, 22 september 1939, is historisch zeer relevant. Het is slechts drie weken na de Duitse inval in Polen en het begin van de Tweede Wereldoorlog. Nederland was op dat moment nog neutraal en de bezetting door de nazi's zou pas in mei 1940 plaatsvinden.
Het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen werd reeds in 1933 opgericht als reactie op de machtsovername door Hitler in Duitsland. Het hoofddoel was de opvang en ondersteuning van Joodse vluchtelingen uit Duitsland. Het genoemde „Noodfonds 1933” was de financiële tak die deze hulpverlening bekostigde.
Dit document toont de dagelijkse, bijna zakelijke realiteit van de Joodse zelforganisatie in de maanden direct voorafgaand aan de Duitse inval in Nederland. Het illustreert hoe het Comité was ingebed in de formele maatschappelijke structuren van Amsterdam, nog voordat de anti-Joodse maatregelen van de bezetter deze netwerken zouden vernietigen.