Ambtelijke nota of advies.
Origineel
Ambtelijke nota of advies. Doorgezonden op 30/6 (30 juni 1936). De aanvoergelden zijn m. i. [mijns inziens] niet te hoog (1 tot 3 cts) Het verzoek tot verlaging der tarieven is m. i. dan ook niet voor inwilliging vatbaar.
Heffing van vaste plaatsen op het buiten-terrein, waarmede dan de aanvoergelden zouden komen te vervallen, is uitgesloten. Er zijn n. l. slechts 39 grossiers en handelaren die geregeld aanvoeren (zie bijgaande staten) en voor een vaste plaats in aanmerking zouden komen.
De aanvoer over 1935 heeft (zie bijgaande staten) opgebracht f 7032.51. Dit bedrag willen de inkomsten der vischmarkt niet achteruitgaan, zou dus in hoofdzaak door de 39 vaste aanvoerders als plaatsgeld moeten worden opgebracht.
Afgifte van grossiersvergunningen acht ik niet gewenscht. De vrije concurrentie op het buitenterrein zou met de uitgifte van grossiersvergunningen wor- [worden belemmerd / afgebroken?]
z.o.z. [zie ommezijde] In deze nota adviseert een ambtenaar (waarschijnlijk van een gemeentelijke afdeling Algemene Zaken) over het marktbeleid van een vismarkt. De kernpunten zijn:
- Geen verlaging van tarieven: De auteur vindt de huidige aanvoergelden (1 tot 3 cent) redelijk en wijst het verzoek tot verlaging af.
- Geen vaste standplaatsen: Er wordt voorgesteld om aanvoergelden te vervangen door een vast bedrag voor standplaatsen op het buitenterrein. De auteur wijst dit af omdat de totale opbrengst (ruim 7000 gulden in 1935) dan volledig opgebracht zou moeten worden door slechts 39 vaste handelaren, wat de individuele lasten voor hen te hoog zou maken.
- Geen grossiersvergunningen: De auteur spreekt zich uit tegen een vergunningstelsel voor grossiers. De reden hiervoor is het behoud van de "vrije concurrentie" op het buitenterrein, die door een beperkt aantal vergunningen in gevaar zou komen.
De tekst breekt af aan de onderkant van de pagina bij het woord "wor-", met de aanduiding "z.o.z.", wat aangeeft dat het betoog op de achterzijde verdergaat. Het document dateert uit juni 1936, een periode waarin Nederland nog volop in de economische crisis van de jaren '30 verkeerde. In die tijd stonden de inkomsten van zowel handelaren als gemeentelijke instanties onder druk. Handelaren vroegen om lastenverlichting (verlaging van aanvoergelden), terwijl de overheid de inkomsten van de vismarkt (f 7032.51) stabiel wilde houden.
De discussie over "vrije concurrentie" versus een vergunningstelsel is kenmerkend voor de marktordening in die tijd. De nota geeft een inkijkje in de administratieve afwegingen tussen het waarborgen van gemeentelijke inkomsten, de economische draagkracht van handelaren en de regulering van de markttoegang in een belangrijke sector als de vishandel. Gezien de context van de "vischmarkt" en de genoemde bedragen, betreft dit waarschijnlijk een grote visafslag in een Nederlandse kustgemeente (zoals IJmuiden, Scheveningen of Vlaardingen).