Publicatie uit een Gemeenteblad (verordening).
Origineel
Publicatie uit een Gemeenteblad (verordening). [Pagina 8]
Volgn. 94
8
AFDEELING VII
Van de Venters en de Standplaatshouders.
ART. 27
Wegens het gebruik maken van den openbaren gemeentegrond is door den houder van een ventvergunning onder den naam van ventgeld een belasting verschuldigd van ƒ 0,60 per kalendermaand.
ART. 28
Indien buiten de markten op openbaren gemeentegrond of op de markten buiten de markturen door Burgemeester en Wethouders vergunningen tot het innemen van vaste standplaatsen worden verleend voor den verkoop van goederen, waarvoor de markten zijn bestemd, is daarvoor een belasting verschuldigd volgens het in artikel 16 genoemde tarief.
ART. 29
Indien buiten de markten in openbaar gemeentewater door Burgemeester en Wethouders vergunningen tot het innemen van vaste ligplaatsen worden verleend voor den verkoop van goederen, waarvoor de markten zijn bestemd, is daarvoor een belasting verschuldigd volgens het in artikel 20 sub I genoemde tarief.
ART. 30
De in de artt. 28 en 29 bedoelde belastingen worden gezamenlijk onder den naam van standplaatsgelden aangeduid.
ART. 31
Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd, in bijzondere gevallen, op gronden van billijkheid of gemeentebelang vermindering of kwijtschelding van ventgeld of standplaatsgeld te verleenen. ;
II de door den Gemeenteraad in zijn vergadering van 7 Juli 1937 vastgestelde wijzigingen in de Verordening op de invordering van markt-, standplaats- en ventgelden, vastgesteld bij zijn besluit van 16 Mei 1934 (Gemeenteblad 1934, afd. 3, volgn. 143), waardoor deze verordening als volgt luidt :
Verordening op de invordering van markt-, standplaats- en ventgelden.
ART. 1
De invordering der belastingen, welke geheven worden krachtens de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden, vastgesteld bij raadsbesluit van 16 Mei 1934, geschiedt, behoudens het bepaalde in de artikelen 291—295 der Gemeentewet, namens den Gemeenteontvanger door de daarvoor door Burgemeester en Wethouders aangewezen ambtenaren van den Dienst van het Marktwezen.
Voor elke betaling wordt een bewijs afgegeven, hetgeen voor het betalen
[Pagina 9]
9
Gemeenteblad afd. 3
van ventgeld bestaat in het plakken van een van een stempel voorzien of op andere wijze gewaarmerkt zegel in het ventvergunningsboekje.
Het in de vorige alinea bedoelde bewijs moet aan de ambtenaren van den Dienst van het Marktwezen op hun aanvraag worden ter hand gesteld, bij gebreke waarvan de belasting geacht wordt niet te zijn betaald.
De ambtenaren van den Dienst van het Marktwezen zijn bevoegd, dengene, die nalatig is in het betalen van het verschuldigde marktgeld, onmiddellijk zijn plaats op de markt te doen ontruimen of hem den toegang tot het marktterrein te ontzeggen.
ART. 2
Het voldoen der marktgelden en standplaatsgelden moet bij vooruitbetaling geschieden.
De artikelen, waarnaar in het vervolg dezer verordening wordt verwezen, zijn die van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden.
De gelden, verschuldigd krachtens de artikelen 1, 2, 3, 4, 28 en 29, moeten worden voldaan op den eersten werkdag in Januari, indien de plaats wordt toegekend, onderscheidenlijk de toegang verleend, voor den tijd van één jaar ; op den eersten werkdag in Januari en Juli, indien de plaats wordt toegekend voor een half jaar ; op den eersten werkdag van de maand, indien de plaats wordt toegekend, onderscheidenlijk de toegang verleend, voor den tijd van één maand ; op den eersten werkdag van iedere week indien de plaats wordt toegekend, onderscheidenlijk de toegang verleend, voor den tijd van één week.
Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd, in gevallen te hunner beoordeeling, toe te staan, dat de gelden, verschuldigd voor een plaats, die voor een jaar is toegekend, in dat jaar in vier of in twaalf gelijke termijnen worden voldaan.
De in de voorgaande alinea’s van dit artikel bedoelde gelden moeten voor de eerste maal worden voldaan bij het toekennen van een plaats, onderscheidenlijk bij het verleenen van toegang.
De gelden verschuldigd krachtens art. 5 sub a moeten worden voldaan alvorens tot verkoop mag worden overgegaan ; de gelden, verschuldigd krachtens art. 5 sub b terstond na den afslag, de gelden verschuldigd krachtens art. 5 sub c op den eersten werkdag in April en October, en de gelden, bedoeld in art. 26, bij vooruitbetaling.
De reductie, bedoeld in art. 23, wordt in den loop der maand Januari uitbetaald.
ART. 3
De betaling van het in artikel 27 bedoelde ventgeld moet maandelijks geschieden op den daarvoor door Burgemeester en Wethouders voor elken venter in zijn vergunningsboekje aangeduiden betaaldag.
Burgemeester en Wethouders zijn echter bevoegd, een regeling te treffen, waardoor het voor degenen, die daartoe den wensch te kennen geven, * Juridische Context: Het betreft een lokale verordening die zowel de heffingsgrondslagen (wat moet men betalen) als de invorderingswijze (hoe en wanneer moet men betalen) regelt voor straathandel en markten.
* Tarieven: Opvallend is het lage bedrag van ƒ 0,60 per maand voor een ventvergunning, wat typerend is voor de economische waarde in de jaren '30.
* Controle en Handhaving: De bewijslast ligt bij de burger; het ontbreken van een zegel in het vergunningsboekje wordt direct gelijkgesteld aan niet-betaling. Ambtenaren hebben vergaande bevoegdheden om standplaatsen direct te ontruimen bij wanbetaling.
* Administratieve Details: Er wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen standplaatsen op de grond en "ligplaatsen" in gemeentewater (bijvoorbeeld voor verkoop vanuit boten).
* Marginalia: De handgeschreven vraagtekens op pagina 9 lijken te wijzen op passages over de bewijslast van betaling en de strikte regels omtrent vooruitbetaling, mogelijk geplaatst tijdens een revisie of een juridisch geschil. Deze documenten maken deel uit van de gemeentelijke regelgeving tijdens het interbellum in Nederland. In deze periode was straathandel (venten) een belangrijke bron van inkomsten voor een groot deel van de bevolking, maar ook een punt van zorg voor gemeenten wat betreft ordeverstoring en concurrentie met vaste winkeliers. De verordening toont hoe de overheid grip probeerde te houden op deze informele economie door middel van een vergunningenstelsel en een strakke fiscale controle met fysieke zegels. De verwijzing naar de Gemeentewet (artikelen 291-295) plaatst deze lokale regels binnen het grotere nationale juridische kader van die tijd.