Archiefdocument
Origineel
11 Augustus 1939 [KOPTEKST]
484 FINANTIEEL WEEKBLAD VOOR DEN FONDSENHANDEL VAN 11 AUGUSTUS 1939 No 4288
[KOLOM 1]
opmerkt, optimisme allerminst op zijn plaats is. Wilt U dus zeil minderen in den obligatiehoek, dan zullen wij ons tegen den verkoop van Skandinavische obligatiën niet verzetten, evenmin als tegen dien van de U toegeevallen pandbrieven, welke ook lang niet het neusje van den zalm op dit gebied vormen.
(☙) De 4 % leening C e n t r a l P a c i f i c per 1949 vormt feitelijk een schuld van de S o u t h e r n P a c i f i c, welke het geheele kapitaal der C. P. houdt en de obligatiën garandeert. Een eerste rangs fonds hebt U aan deze obligatie niet, maar het komt ons voor, dat gij U omtrent de rentebetaling toch niet ongerust behoeft te maken.
Motto Amerika. In nr 4276 hebben wij met betrekking tot P A N A M A (390) onderstaand bericht opgenomen:
Zoools bekend, heeft Panama de rentebetaling op de 5 % 35-jarige leening per 1963 opgeschort, aangezien de Staten weigeren de P a n a m a k a n a a l - r e c h t e n ad $ 250.000 per jaar op goudbasis te voldoen.
Inmiddels is, naar de V. v. d. E. verneemt, een nieuwe overeenkomst in zake deze betalingen ontworpen, welke door Panama is goedgekeurd, doch door de Ver. Staten nog moet worden geratificeerd.
Sinds dien heeft deze ratificatie op 25 Juli ll. plaats gehad, onder voorbehoud, dat de Vereenigde Staten in geval van oorlog onvoorwaardelijk en onmiddellijk over de kanaalzone gaan mogen beschikken. Het was vooral deze kanaalkwestie, welke het reeds in December 1936 door Panama geratificeerde verdrag van 2 Maart van dat jaar, in de Vereenigde Staten slepende had gehouden. Het Amerikaansche amendement ten einde geen hernieuwde ratificatie van den kant van Panama noodig te maken, doch van regeeringszijde is medegedeeld, dat Panama er langs de diplomatieke kanalen reeds in had bewilligd.
Het verdrag legt voor de Vereenigde Staten de verplichting vast, de $ 250.000, welke deze jaarlijks in Februari als eeuwigdurende kanaalpacht aan Panama moeten uitkeeren, in goud te voldoen. Zooals U weet is hierover indertijd een conflict gerezen, daar Amerika het bedrag uitsluitend in tegenwoordige Dollars wilde betalen. Aan de overeenkomst is terugwerkende kracht tot 1934 gegeven, zoodat Panama van dat jaar af 430.000 in plaats van 250.000 Balboas 's jaars zal ontvangen (de Panameesche Balboa is gelijk aan den Amerikaanschen Dollar), in totaal dus t/m 1939 Balboas 2.580.000.
Door het teekenen van dit verdrag is de weg vrijgemaakt voor een r e g e l i n g v a n d e b u i t e n l a n d s c h e s c h u l d van Panama. Het plan hiervoor is reeds in April ll. door de Panameesche regeering goedgekeurd.
Het ligt in de bedoeling, de gansche buitenlandsche schuld (voorzoover in achterstand) te unificeeren in één nieuwe leening van maximum $ 17.100.000, welke ten hoogste 3 1/4 % rente zal dragen.
Aan deze zal een verband worden verleend op de hiervóór vermelde kanaalpacht en op de inkomsten uit het constitutioneele fonds (een fonds, dat te New York in hypotheken is belegd).
Zoodra de nieuwe leening goedgekeurd zal zijn door de Securities and Exchange Commission (S.E.C.), zal het conversieaanbod worden gepubliceerd. Er zal voor U wel niets anders opzitten dan dit te aanvaarden. Het zal feitelijk dus op niet veel meer neerkomen dan een verlaging van de rente van 5 tot 3 1/4 % en een consolidatie van den renteschuld (f 693) in obligatiën van de nieuwe 3 1/4 % schuld.
T. D. te W. Van het f 16 millioen groote kapitaal der G e m e e n s c h a p p e l ij k e M ij n b o u w m p ij „B i l l i t o n” bevindt zich in het bezit van het gouvernement van Ned. Indië een bedrag van f 10 millioen nom. (de aandeelen A), terwijl door de B I L L I T O N (prijs 12-7) f 6 millioen (de aandeelen B) wordt gehouden.
Het gouvernement heeft over het boekjaar 1938 op zijn belang aan dividend f 5 millioen (= 50 %) getoucheerd, terwijl voor het loopende jaar de raming niet hooger is dan f 2 millioen of 20 %. In dat geval zal dus de Billiton-Mij op haar aandeelen der Gem. Mijnbouwmpy „Billiton” niet meer dan f 1,2 millioen kunnen incasseeren voor het loopende jaar.
Nu heeft de Billiton Mpij de in 1938 behaalde resultaten als volgt verantwoord:
dividend Gem. Mijnb. „Billiton” f 3.000.000
andere dividenden ,, 141.061
rentebaten ,, 151.144
diverse baten ,, 47.196
totaal f 3.339.401
algemeene onkosten f 144.154
aand. kosten Lutine „ 105.188
uitk. erven Landry „ 86.280
335.622
netto winst f 3.003.779
De samenstelling van de deelnemingen heeft onlangs eenige wijzigingen ondergaan, waardoor het gevaarlijk is, meer dan een globale winstraming te maken voor het loopende jaar. Hooger dan een bedrag van 12 1/2 ton durven wij echter niet gaan.
Nu is het kapitaal der Billiton Mpij in het loopende jaar van f 10.500.000 verhoogd tot f 14.000.000, incl. f 2.500.000 aandeelen der
[KOLOM 2 - MIDDEN] * Economische Context: Het document dateert van vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (1 september 1939). De toon is zakelijk maar voorzichtig ("optimisme allerminst op zijn plaats", "zeil minderen in den obligatiehoek"). Er is veel aandacht voor internationale verdragen (Panama-kanaal) en grondstoffen (tinwinning door Billiton in Nederlands-Indië), wat duidt op de sterke verwevenheid van de Nederlandse beurs met koloniale en overzeesche belangen.
* Ondernemingsstructuren: Het artikel over "Motto Rijs" geeft een inkijkje in de complexe netwerken van commissarissen en moeder-dochterbedrijven in de Rotterdamse en Amsterdamse haven (vemen, graansilo's). Er wordt expliciet gewaarschuwd voor "noodeloos in het leven roepen van nieuwe concurrentie".
* Maatschappelijk Debat: De advertentie van de Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij over de wettelijke beperking van het grootbedrijf ten gunste van het kleinbedrijf toont aan dat de spanning tussen schaalvergroting en middenstand destijds een belangrijk politiek-economisch thema was. Opvallend is dat de latere minister-president P.S. Gerbrandy een van de auteurs is.
* Cultuur: De advertentie voor Carré Amsterdam contrasteert scherp met de droge financiële cijfers. De revue biedt "vroolijkheid" en "wereld-attracties" voor relatief lage prijzen, wat wijst op een behoefte aan escapisme in een politiek gespannen tijd. Dit blad, het Finantieel Weekblad voor den Fondsenhandel, was een essentieel informatiebulletin voor beleggers en bankiers in Nederland. In augustus 1939 was de onzekerheid op de markten groot door de dreigende oorlog in Europa. De gedetailleerde verslaglegging over de Billiton-mijnen weerspiegelt het belang van de tinwinning voor de Nederlandse economie. Het vernoemen van de Pacific Gas and Electric Company (PG&E) toont de interesse van de Nederlandse belegger in Amerikaanse nutsbedrijven. De vermelding van de "Panamese Balboa" en de goudclausule herinnert aan de monetaire verschuivingen na het loslaten van de goudstandaard. C. Gips C. Smalt M. Verrijn N.V. Noord P.S. Gerbrandy S. Gerbrandy W. Van