Archief 745
Inventaris 745-293
Pagina 229
Dossier 23
Jaar 1939
Stadsarchief

Besluit (Extract) van het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.

Vrijdag 28 april 1939.

Origineel

Besluit (Extract) van het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. Vrijdag 28 april 1939. [Handgeschreven linksboven:]
№ 781 L.M. 1937 ^19/5 39
№ 59/2/6 M. 1939 ^23/4

[Handgeschreven rechtsboven:]
Nota in zake de kleinhandelsveiling op de Centrale Markt.
Marktw.
h.v. Di[..]
w.g.

[Hoofdtekst:]
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam
Vrijdag, 28 April 1939.

De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen brengt ter tafel zijn bij de leden van het College rondgezonden nota in zake de kleinhandelsveiling op de Centrale Markt, welke veiling een punt van nader onderzoek heeft uitgemaakt. Van de zijde der grossiers bestonden tegen deze veiling n.l. ernstige bezwaren.

Bij den bouw van de veilinginrichtingen op de Centrale Markt is, zooals uit de nota blijkt, niet principieel de vraag aan de orde gekomen, of aldaar een groot- of een kleinhandelsveiling zou worden gevestigd. De handel beoogde voornamelijk, de op de markt aan de Marnixstraat bestaande kleinhandelsveiling over te plaatsen en beschouwde dit blijkbaar als natuurlijk. De aanwezigheid van een kleinhandelsveiling beteekende toen ter tijd geen probleem. Dit is in de laatste jaren, mede ten gevolge van de tijdsomstandigheden anders geworden.

Vervolgens wordt in de nota een uiteenzetting gegeven van de werkwijze van bedoelde veiling, alsmede van de voornaamste klachten, en grieven, welke de grossiers tegen deze veiling hebben. De grossiers zijn n.l. van oordeel, dat de handel, wil deze zich rustig kunnen ontplooien en voor een goede voorziening van de stad zorgen, een kleinhandelsveiling niet naast zich kan hebben.

Uit het oordeel van den Directeur van het Marktwezen in deze kwestie blijkt, dat hij, hoewel ernstige bezwaren hebbende tegen de kleinhandelsveiling, niet adviseert, haar op te heffen, op grond van motieven in de nota nader omschreven. Dit document vormt een officieel verslag van een bestuursbesluit over de inrichting van de Amsterdamse Centrale Markt. De kern van het conflict ligt in de frictie tussen de traditionele kleinhandel en de opkomende groothandel (grossiers).

De grossiers maken bezwaar tegen de aanwezigheid van een kleinhandelsveiling op hetzelfde terrein. Hun argument is dat de directe verkoop aan kleine handelaren hun eigen positie en de "rustige ontplooiing" van de groothandel belemmert. De tekst onthult dat bij de oprichting van de Centrale Markt de verplaatsing van de oude markt aan de Marnixstraat naar de nieuwe locatie als vanzelfsprekend werd gezien, maar dat de economische realiteit van de late jaren '30 ("de tijdsomstandigheden") voor nieuwe spanningen zorgde.

Interessant is de positie van de Directeur van het Marktwezen: hoewel hij de bezwaren erkent, adviseert hij tegen de opheffing van de kleinhandelsveiling. Dit wijst op een pragmatische houding van de gemeente om verschillende handelsvormen naast elkaar te laten bestaan, ondanks druk vanuit de sector. In 1934 werden de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam-West geopend. Dit was een grootschalig project om de voedseldistributie van de stad te centraliseren en te moderniseren. Voorheen vond de handel plaats op diverse kleinere markten in de stad, zoals de groentemarkt aan de Marnixstraat.

De "tijdsomstandigheden" waarover in het document gesproken wordt (1939), refereren naar de nasleep van de Grote Depressie. In een tijd van economische krapte en werkloosheid was de concurrentie tussen verschillende lagen in de handelsketen (grossiers versus detailhandelaren) extra scherp. De gemeente Amsterdam probeerde hierin een regulerende rol te spelen. Het document is gedateerd slechts enkele maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, een periode waarin de voedselvoorziening en de logistiek daarvan een steeds politieker en strategischer karakter kregen.

Samenvatting

Dit document vormt een officieel verslag van een bestuursbesluit over de inrichting van de Amsterdamse Centrale Markt. De kern van het conflict ligt in de frictie tussen de traditionele kleinhandel en de opkomende groothandel (grossiers).

De grossiers maken bezwaar tegen de aanwezigheid van een kleinhandelsveiling op hetzelfde terrein. Hun argument is dat de directe verkoop aan kleine handelaren hun eigen positie en de "rustige ontplooiing" van de groothandel belemmert. De tekst onthult dat bij de oprichting van de Centrale Markt de verplaatsing van de oude markt aan de Marnixstraat naar de nieuwe locatie als vanzelfsprekend werd gezien, maar dat de economische realiteit van de late jaren '30 ("de tijdsomstandigheden") voor nieuwe spanningen zorgde.

Interessant is de positie van de Directeur van het Marktwezen: hoewel hij de bezwaren erkent, adviseert hij tegen de opheffing van de kleinhandelsveiling. Dit wijst op een pragmatische houding van de gemeente om verschillende handelsvormen naast elkaar te laten bestaan, ondanks druk vanuit de sector.

Historische Context

In 1934 werden de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam-West geopend. Dit was een grootschalig project om de voedseldistributie van de stad te centraliseren en te moderniseren. Voorheen vond de handel plaats op diverse kleinere markten in de stad, zoals de groentemarkt aan de Marnixstraat.

De "tijdsomstandigheden" waarover in het document gesproken wordt (1939), refereren naar de nasleep van de Grote Depressie. In een tijd van economische krapte en werkloosheid was de concurrentie tussen verschillende lagen in de handelsketen (grossiers versus detailhandelaren) extra scherp. De gemeente Amsterdam probeerde hierin een regulerende rol te spelen. Het document is gedateerd slechts enkele maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, een periode waarin de voedselvoorziening en de logistiek daarvan een steeds politieker en strategischer karakter kregen.

Kooplieden in dit dossier 61

Gerelateerde Documenten 6