Getypt ambtelijk rapport of adviesnota met handgeschreven kanttekeningen in de marge.
Origineel
Getypt ambtelijk rapport of adviesnota met handgeschreven kanttekeningen in de marge. -6-
lingsmogelykheid tot een "eerste-hands-markt", die van betee-
kenis is o.m. voor den aanvoer in onze haven, voor het trans-
portbedryf, voor de bezetting van het koelhuis, Het tot ont-
wikkeling brengen van de groothandelsveiling zoowel voor binnen
als voor buitenlandsche producten, kan echter alleen geleidelyk
plaats vinden. Daarvoor is de medewerking noodig van degenen,
die dergelyke veilingen houden en van de grossiers, die er als
koopers optreden. Hy acht het voor deze toekomstmogelykheid een
gelukkige omstandigheid, dat de kleinhandelsveiling op de Cen-
trale Markt is verpacht aan de voornaamste exploitanten van
groothandelsveilingen in Nederland, de "gezamenlyke importeurs"
die een Naamlooze Vennootschap hebben gesticht om de Amsterdam-
sche veiling te exploiteeren. De Directeur meent, dat indien
er een groep is, in staat om hier gaandeweg groothandelsvei-
/pag.9a nota lingen te brengen, het deze importeurs zyn, die bereids op /
Weth.
gezette tyden hun groothandelsveiling van geïmporteerd fruit
op de Centrale Markt doen plaats vinden. Deze importeurs nemen
het naar het oordeel van den Directeur voornoemd juiste stand-
punt in, dat de kleinhandelsveiling alleen kan worden afge-
schaft, indien daarvoor iets beters, n.l. een groothandels-
veiling, in de plaats komt. Hy meent dan ook, dat het voortbe-
staan van de kleinhandelsveiling moet worden bevorderd, opdat
zy geleidelyk aan, voor zooveel de omstandigheden dat toelaten,
in een groothandelsveiling kan worden omgezet. Hy verwacht, dat
de Amsterdamsche grossiers, wanneer de tyd voor die omzetting
is aangebroken, geprikkeld zullen worden de groothandelsveiling
te steunen en te bezoeken, daar anders de in hun oogen nadee-
lige kleinhandelsveiling niet zal verdwynen.
pag.10 nota
Weth.
Conclusie. By het bepalen van het door Burgemeester en Wethouders
in te nemen standpunt ten aanzien van de onderhavige kwestie,
zal myns inziens in ieder geval uitgegaan moeten worden van den
status quo, in dien zin, dat niet anders dan op grond van zeer
dringende motieven tot verandering in het marktcomplex moet
worden besloten, en temeer niet, wanneer dergelyke veranderin-
gen gepaard zouden gaan met groote kosten of derving van belang
ryke inkomsten voor de Gemeente.
Wat den feitelyken kant van de zaak betreft, diene
het volgende.
Het is begrypelyk, dat er, van het standpunt der gros-
siers gezien, grieven van beteekenis tegen de kleinhandelsvei-
ling naar voren worden gebracht. By de beoordeeling ervan mag
echter niet uit het oog verloren worden, dat die grieven voor
een groot gedeelte ook haar oorzaak vinden in de tegenwoordige
economische omstandigheden, tengevolge waarvan de concurrentie
een steeds scherper vorm heeft aangenomen, zoodat den grossiers- De tekst beschrijft een beleidsvraagstuk rondom de modernisering van de Amsterdamse Centrale Markt. De kern van het betoog is de wens om te komen tot een "eerste-hands-markt" (groothandel), wat gunstig zou zijn voor de haven en de logistieke sector.
Er is echter sprake van een spanningsveld:
1. De Importeurs: Zij exploiteren momenteel de kleinhandelsveiling via een N.V. De Directeur ziet in hen de aangewezen partij om de overstap naar een groothandelsveiling te maken, mits dit geleidelijk gebeurt.
2. De Grossiers: Zij hebben bezwaren tegen de huidige kleinhandelsveiling (die zij als nadelig ervaren), maar hun onvrede wordt door de auteur deels toegeschreven aan de algemene slechte economische tijdsgeest en toenemende concurrentie.
3. Het Gemeentebestuur (B&W): De conclusie adviseert een behoudende koers. Men wil de "status quo" handhaven om financiële risico's en inkomstenderving voor de gemeente te vermijden, tenzij er zeer dringende redenen zijn voor verandering. Dit document past in de geschiedenis van de Centrale Markthallen in Amsterdam-West, die in 1934 werden geopend. De discussie over het transformeren van de marktstructuur van kleinhandel naar groothandel was in die periode actueel om de positie van Amsterdam als distributiecentrum te versterken. De handgeschreven verwijzingen naar "nota Weth." (Wethouder) suggereren dat dit stuk diende als voorbereiding voor een bestuurlijke besluitvorming, waarbij de belangen van de gemeente (inkomsten) werden afgewogen tegen de wensen van de verschillende handelsgroepen in een economisch uitdagende tijd (waarschijnlijk de crisisjaren '30).