Gedrukte brief of petitie gericht aan de gemeenteraad (waarschijnlijk Amsterdam).
Origineel
Gedrukte brief of petitie gericht aan de gemeenteraad (waarschijnlijk Amsterdam). 10
heid aangeven, evenwel, indien Uwe Raad in aanmerking neemt hetgeen hierboven is
geschetst, over de ontwikkelingsmogelijkheden van de nieuwe marktstichtingen en Uwe
Raad bedenkt, dat de onkosten van den handel op de huidige markten nog geen 2 ton
per jaar bedragen en namens B. en W. de verklaring gegeven is, dat de onkosten niet
hooger zullen worden dan thans, dan vertrouwen adressanten, dat Uwe Raad hun
meening zal deelen, dat een raming van de baten, beraamd op 3 à 4 ton per jaar, reeds
een zeer hooge raming te noemen is.
19 Zij weten, dat de te heffen retributies natuurlijke grenzen hebben, welke grenzen,
indien overschreden, tengevolge zullen hebben, dat meerdere takken van handel buiten
de marktinrichting om gedreven zullen worden.
20 De adressanten meenen aangetoond te hebben, dat de geprojecteerde markthal
en het geprojecteerde gebouw B groote financieele offers zullen vragen, welke niet
gebracht behoeven te worden. Zij achten een gebouw, waarin veilingen gehouden kunnen
worden, en waarin eenige kantoren, een koffiehuis, post- en telegraafkantoor en eenige
koelruimte, wel gewenscht, doch in een dergelijk gebouw zal, naar hunne meening, op
een eenvoudige wijze zijn te voorzien.
21 Zij kunnen verklaren geen principieele bedenkingen tegen de voordracht te hebben,
waar B. en W. verklaard hebben, dat, indien het instellen der functie van stadsmakelaar
als zoodanig niet opgevat wordt als ingrijpen van de Overheid, hetgeen niet het geval
is, dat B. en W. er niet aan denken om in te grijpen in de bestaande handelsusances.
22 Gezien het bovenstaande, oordeelen zij, dat het geen groepsbelangen zijn, die
adressanten nopen om een waarschuwende stem te laten hooren tegen de uitvoering
van de genoemde onderdeelen der voordracht. Zij waarschuwen hiertegen slechts als
inwoners van Amsterdam, na als deskundigen kennis te hebben genomen van de
voordracht.
23 B. en W. schrijven in de voordracht No 663, dat een verplaatsing der markten
naar het terrein in de voordracht genoemd, zonder de stichting van de markthal, kan
geschieden voor een bedrag van f 6.000.000.—, dus voor een bedrag van ruim
f 4.000.000.— minder dan de voordracht vraagt voor een nieuwe markt met markthal.
Het wil adressanten voorkomen, dat gezien de zorgelijke tijdsomstandigheden, Uwe
Raad hiervoor niet ongevoelig kan zijn.
24 Resumeerende wat hierboven zij opgemerkt, zijn adressanten van meening,
dat zij aangetoond hebben, dat de prémisse van de Commissie van 1913, wat betreft
het zenden van producten door producenten naar een gemeentelijk veilinggebouw,
onjuist gebleken is te zijn;
dat de aardappel- en de groenten- en fruitmarkten niet worden opgeheven,
indien de markthal zou zijn gesticht;
dat het stichten van de markthal en van gebouw B derhalve overbodig genoemd
moet worden:
redenen, waarom zij Uwen Raad verzoeken te willen besluiten tot het stichten
van een nieuwe markt, zonder de markthal en zonder het geprojecteerde pakhuis B. In dit document presenteren de "adressanten" (indieners van het verzoekschrift) hun slotargumenten aan de gemeenteraad tegen de bouw van een nieuwe markthal en een bijbehorend pakhuis (gebouw B) in Amsterdam.
De kern van hun betoog is drieledig:
1. Financiële onhaalbaarheid: Ze betogen dat de geraamde inkomsten (baten) van 3 à 4 ton per jaar onrealistisch hoog zijn, vooral omdat de huidige marktkosten veel lager liggen. Te hoge heffingen (retributies) zouden handelaren uit de officiële markt kunnen verdrijven.
2. Overbodigheid: De adressanten stellen dat de gewenste faciliteiten (veilingruimte, kantoren, horeca, koeling) ook op een veel eenvoudigere en goedkopere wijze gerealiseerd kunnen worden zonder de bouw van de prestigieuze markthal. Ze verwijzen naar "voordracht No 663", waaruit blijkt dat alleen de verplaatsing van de markt 4 miljoen gulden goedkoper is dan mét de bouw van de hal.
3. Behoud van traditie: Ze benadrukken dat de bestaande "handelsusances" (gebruiken in de handel) gerespecteerd moeten worden en dat een overheidsingrijpen via een "stadsmakelaar" ongewenst is.
De tekst eindigt met een formeel verzoek aan de Raad om wel de markt te verplaatsen, maar af te zien van de bouw van de markthal en pakhuis B, mede gelet op de "zorgelijke tijdsomstandigheden". Dit document stamt uit de vroege 20e eeuw (verwijzing naar een Commissie van 1913) en betreft de discussie rond de modernisering van de Amsterdamse markten. Amsterdam groeide in die periode hard, en de oude locaties van de groente-, fruit- en aardappelmarkten (zoals de Appeltjesmarkt aan de Marnixstraat) werden te krap en veroorzaakten overlast.
De gemeente (Burgemeester en Wethouders) stelde de bouw van een gecentraliseerde markthal voor op een nieuw terrein (de latere Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat). De adressanten in dit stuk zijn hoogstwaarschijnlijk gevestigde handelaren of vertegenwoordigers van handelsverenigingen die vreesden voor hogere kosten en een verlies van autonomie door de strenge gemeentelijke regie en de hoge investeringskosten. De "zorgelijke tijdsomstandigheden" zouden kunnen verwijzen naar de economische instabiliteit rond of na de Eerste Wereldoorlog. Uiteindelijk zou de markthal er overigens wel komen; de Centrale Markthal werd in 1934 geopend.