Handgeschreven verzoekschrift aan de gemeente (afdeling Marktwezen).
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift aan de gemeente (afdeling Marktwezen). 9 maart 1929 (de paarse stempel vermeldt echter "1939", wat kan duiden op een latere archivering of een verschrijving). Echtgenote van H. J. Hofman. No 90/20/2 cu
o ni mqr.
No 128 Mark nummer
[Stempel:] No 99/13 M. 1939
Amsterdan 9 Maart 29
Mijn heer vriendelijk zou
ik u willen vragen mij hebben
een staanplaats met een haring
en zuur waren op het Mosplein
Vrouw van H J Hofman maar
nu zou ik u vriendelijk willen
vragen of ik die plaarts niet
aan mijn zoon kan geven
die mijn wel altijd help
en behulpzaam is om reden
hij ook invaliditeit is en niet
kan werken en zou doe be
zou u willen vragen of dat
kan verandert kan worden
en de plaats ~~niet~~ aan mijn
zoon over kan gaan hij
is 23 jaar oud Het document is een sprekend voorbeeld van een rekest uit de volksklasse van de vroege 20e eeuw. De taal is doorspekt met spreektaal en spellingsfouten ("Amsterdan", "plaarts", "verandert"), wat wijst op een schrijfster die minder geschoold was maar zeer beleefd trachtte te communiceren met de autoriteiten ("Mijn heer", "vriendelijk willen vragen").
De kern van het verzoek is een sociale noodkreet: de zoon van de schrijfster is 23 jaar en "invaliditeit" (invalide), waardoor hij geen ander werk kan vinden. Omdat hij al helpt bij de haring- en zuurkraam op het Mosplein in Amsterdam-Noord, vraagt de moeder of de vergunning officieel op zijn naam kan worden gezet. Dit was een gangbare praktijk om de bestaanszekerheid van kwetsbare familieleden binnen de familiehandel veilig te stellen. Het Mosplein was een cruciaal economisch middelpunt in de opkomende wijken van Amsterdam-Noord. De handel in "haring en zuurwaren" (zoals augurken en uien) was een typisch Amsterdams fenomeen op markten. In de jaren '20 en '30 was de regelgeving rondom marktplaatsen strikt; men had een officiële vergunning nodig die persoonlijk was. Overdracht van zo'n vergunning was niet vanzelfsprekend en vereiste toestemming van de gemeente, wat de reden is voor deze brief. De administratieve stempels en nummers bovenin tonen aan dat de brief daadwerkelijk in de ambtelijke molen is terechtgekomen.
Samenvatting
Het document is een sprekend voorbeeld van een rekest uit de volksklasse van de vroege 20e eeuw. De taal is doorspekt met spreektaal en spellingsfouten ("Amsterdan", "plaarts", "verandert"), wat wijst op een schrijfster die minder geschoold was maar zeer beleefd trachtte te communiceren met de autoriteiten ("Mijn heer", "vriendelijk willen vragen").
De kern van het verzoek is een sociale noodkreet: de zoon van de schrijfster is 23 jaar en "invaliditeit" (invalide), waardoor hij geen ander werk kan vinden. Omdat hij al helpt bij de haring- en zuurkraam op het Mosplein in Amsterdam-Noord, vraagt de moeder of de vergunning officieel op zijn naam kan worden gezet. Dit was een gangbare praktijk om de bestaanszekerheid van kwetsbare familieleden binnen de familiehandel veilig te stellen.
Historische Context
Het Mosplein was een cruciaal economisch middelpunt in de opkomende wijken van Amsterdam-Noord. De handel in "haring en zuurwaren" (zoals augurken en uien) was een typisch Amsterdams fenomeen op markten. In de jaren '20 en '30 was de regelgeving rondom marktplaatsen strikt; men had een officiële vergunning nodig die persoonlijk was. Overdracht van zo'n vergunning was niet vanzelfsprekend en vereiste toestemming van de gemeente, wat de reden is voor deze brief. De administratieve stempels en nummers bovenin tonen aan dat de brief daadwerkelijk in de ambtelijke molen is terechtgekomen.