Handgeschreven brief (archiefstuk).
Origineel
Handgeschreven brief (archiefstuk). 16 augustus 1939. Onbekend (marktkraamhouder). [Stempel/kenmerk linksboven:] Nº 90/34/2... 339 4/8
[Aantekening rechtsboven:] in marg: [?]
Amsterdam 16 Augustus 1939
Den Heer Directeur v/h
Marktwezen
Alhier
Mijn heer,
Bij het laatste
onderhoud dat ik ten uwen kantore heb
gehad, werd mij beloofd mij zooveel mogelijk
ter wille te zijn en mij zooveel mogelijk te
helpen in verband met mijn ongunstige plaats
aan het Maasplein op de Zaterdagmarkt.
Ik wil U hierbij mijn dank betuigen
voor Uw bereidwilligheid mij ter wille te zijn.
Alleen kon ik door de omstandigheden
nog niet geholpen worden, mede doordat
er verschillende H.H. Marktmeesters aldaar Zaterdags
aanwezig waren.
Beleefd verzoek ik U nogmaals
aan mij te herinneren, en er de H.H. Markt-
meesters op te wijzen dat deze zaak nog niet
voor hen is afgedaan. De mogelijkheid is nu
geschapen, dat er door een kleine opschuiving
plaats is gekomen en ik verzoek U beleefd
dit te bevorderen, zoodat ik weer op mijn In deze brief wendt een Amsterdamse marktkoopman zich tot de directeur van het Marktwezen. De toon is uiterst beleefd en formeel, zoals gebruikelijk in die tijd. De kern van het schrijven is een verzoek om herplaatsing op de Zaterdagmarkt aan het Maasplein.
De schrijver geeft aan dat er eerder een mondelinge toezegging is gedaan voor een betere plek vanwege de huidige "ongunstige plaats". De reden dat de verplaatsing nog niet is geëffectueerd, ligt volgens de schrijver aan een gebrek aan continuïteit of communicatie tussen de verschillende marktmeesters die op zaterdag dienst hebben. Hij stelt een concrete oplossing voor: door een "kleine opschuiving" van de kramen is er ruimte ontstaan. De brief breekt onderaan de pagina af midden in een zin. De brief dateert van augustus 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was het Maasplein in Amsterdam-Zuid (Rivierenbuurt) een actieve locatie voor markten. Het Marktwezen was de gemeentelijke instantie die verantwoordelijk was voor de indeling en orde op de markten.
Interessant is de vermelding van "H.H. Marktmeesters" (Heeren Marktmeesters). Dit duidt op de hiërarchische structuur van de gemeentelijke diensten. De marktmeesters hielden toezicht op de markt, maar beslissingen over vaste staanplaatsen werden vaak op het hoofdkantoor van de directeur genomen. De schrijver probeert via de directeur druk uit te oefenen op de uitvoerende ambtenaren (de marktmeesters) op de werkvloer. De brief biedt een inkijkje in de dagelijkse bureaucratische beslommeringen van Amsterdamse kleine ondernemers aan het eind van de jaren '30. H.H. Markt H.H. Marktmeesters Marktwezen
Samenvatting
In deze brief wendt een Amsterdamse marktkoopman zich tot de directeur van het Marktwezen. De toon is uiterst beleefd en formeel, zoals gebruikelijk in die tijd. De kern van het schrijven is een verzoek om herplaatsing op de Zaterdagmarkt aan het Maasplein.
De schrijver geeft aan dat er eerder een mondelinge toezegging is gedaan voor een betere plek vanwege de huidige "ongunstige plaats". De reden dat de verplaatsing nog niet is geëffectueerd, ligt volgens de schrijver aan een gebrek aan continuïteit of communicatie tussen de verschillende marktmeesters die op zaterdag dienst hebben. Hij stelt een concrete oplossing voor: door een "kleine opschuiving" van de kramen is er ruimte ontstaan. De brief breekt onderaan de pagina af midden in een zin.
Historische Context
De brief dateert van augustus 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was het Maasplein in Amsterdam-Zuid (Rivierenbuurt) een actieve locatie voor markten. Het Marktwezen was de gemeentelijke instantie die verantwoordelijk was voor de indeling en orde op de markten.
Interessant is de vermelding van "H.H. Marktmeesters" (Heeren Marktmeesters). Dit duidt op de hiërarchische structuur van de gemeentelijke diensten. De marktmeesters hielden toezicht op de markt, maar beslissingen over vaste staanplaatsen werden vaak op het hoofdkantoor van de directeur genomen. De schrijver probeert via de directeur druk uit te oefenen op de uitvoerende ambtenaren (de marktmeesters) op de werkvloer. De brief biedt een inkijkje in de dagelijkse bureaucratische beslommeringen van Amsterdamse kleine ondernemers aan het eind van de jaren '30.