Ambtelijke brief / adviesnota.
Origineel
Ambtelijke brief / adviesnota. 28 mei 1940 (verzonden op 29 mei 1940). De Directeur (vermoedelijk van de Marktwezen of een gelieerde dienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam ("Alhier"). [In de rechterbovenhoek handgeschreven potloodnotitie:] ter. Mr. de Boer [?]
VP/DV.
20/20/2 M. [Handgeschreven in inkt:] Verzonden 29/5 - '40
1
28 Mei 1940.
Uitbreiding bakvergunning ten
name van D.J. van Zetten.
den Heer Wethouder voor de
Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 14 dezer om advies ontvangen stuk no.23/3 L.M.1940 heb ik de eer U te berichten, dat adressant is houder van een vergunning no. 110/4 L.M.1939, tot het bakken van wafelen en pinda's op de markten Lindengracht en Westerstraat. Tegen inwilliging van zijn verzoek om hem een soortgelijke vergunning voor de markt Dapperstraat te verleenen, bestaat dezerzijds geen bezwaar.
De Directeur, De brief is een formeel advies over een marktvergunning. De heer D.J. van Zetten, die reeds over een vergunning beschikte om wafels en pinda's te bakken op twee bekende markten in de Jordaan (Lindengracht en Westerstraat), wenst zijn activiteiten uit te breiden naar de Dapperstraat in Amsterdam-Oost.
De directeur van de betreffende dienst reageert op een verzoek van de Wethouder voor de Levensmiddelen. Het advies is positief: er is "geen bezwaar" tegen de uitbreiding van de vergunning. Dit soort documentatie is typerend voor de strikte regulering van de handel in levensmiddelen op de Amsterdamse markten, waarbij voor elke specifieke handeling (zoals bakken) op elke specifieke locatie een vergunning vereist was. De datum van dit document, 28 mei 1940, is historisch zeer relevant. Nederland was op dat moment pas twee weken bezet door nazi-Duitsland. De capitulatie had plaatsgevonden op 14 mei 1940 — exact de dag dat de Wethouder de oorspronkelijke adviesaanvraag verstuurde (zoals vermeld in de tekst: "kantbrief d.d. 14 dezer").
Het is opvallend dat, terwijl de stad en het land in shock verkeerden door de inval en het bombardement op Rotterdam, de ambtelijke molens van de gemeente Amsterdam nagenoeg onverstoord doordraaiden. Zaken als het verlenen van vergunningen voor het bakken van wafels en pinda's werden volgens de normale procedures afgehandeld.
De rol van de "Wethouder voor de Levensmiddelen" zou gedurende de bezettingsjaren steeds crucialer en complexer worden door de invoering van distributie en de toenemende schaarste. Op het moment van schrijven was de voedselvoorziening echter nog relatief stabiel, hoewel de eerste tekenen van de nieuwe orde (zoals de potloodnotitie die mogelijk naar een toezichthouder verwijst) al zichtbaar konden zijn op het stadhuis.