Getypte brief of ambtelijk rapport (doorslag of kopie).
Origineel
Getypte brief of ambtelijk rapport (doorslag of kopie). Bladz.2 Brief 20/36/2 M.
1 Czech, omtrent welke kooplieden evenmin bekend is of zij Joden zijn. Voor de motieven, die tot het even genoemde Besluit hebben geleid verwijs ik naar mijn rapport d.d. 5 December 1939 (no.20/23/5 M.). In dit verband diene nog, dat het op mijn voorstel was, dat Burgemeester en Wethouders in 1934 hebben besloten aan buitenlanders geen vaste plaatsen meer op de markten te verleenen. Tevoren waren dergelijke uitzonderingsbepalingen niet bekend.
De onder B gedane mededeeling, dat op de markt Albert Cuypstraat een kleine groep van kooplieden in hoofd-zaak slechts des Zaterdags van zijn marktplaats gebruik maakt, weshalve deze groep als "marktschuimers" wordt betiteld, ver-dient in zooverre aanvulling, dat, wanneer deze kooplieden inderdaad zeer goede marktplaatsen bezetten, zij deze in elk geval op volkomen reglementaire wijze hebben verkregen. Dat om hunnentwille andere kooplieden, die als regel vier dagen per week de bedoelde goede marktplaatsen bezetten, geheel zouden moeten verdwijnen is overdreven; voor de bedoelde koop-lieden, die goeddeels zelf een vaste plaats op een ander deel der markt bezetten, is altijd wel een marktplaats – zij het een, die minder gunstig is gelegen – beschikbaar. Intusschen verdient de onderhavige klacht inderdaad wel aandacht.
Ik kom hierop bij punt 1 der voorstellen van adres-sant (zie bladz. 4) nader terug.
De op de dagmarkt Albert Cuypstraat dienstdoende chef-marktopzichter Van Moerkerken, die heeft verklaard, dat hij gegevens voor het onderhavige rapport van het Arbeids-front heeft verstrekt, heeft, op mijn verzoek, een lijst overgelegd van de kooplieden, die als "marktschuimers" worden beschouwd; dat wil zeggen kooplieden, die wel des Zaterdags en den reglementair voorgeschreven 2den dag op de markt staan, maar die den 2den dag geen behoorlijke uitstalling maken, doch dan slechts min of meer voor den vorm op de markt aan-wezig zijn, teneinde zoodoende ook den besten verkoopdag, (den Zaterdag), over de goede marktplaats te kunnen beschikken. Deze lijst bevat twaalf namen, waarvan drie van kooplieden zijn, die ook op het Waterlooplein een marktplaats bezetten. De mededeeling, dat het in den regel de Waterloopleinkoop-lieden zijn, die zich op dit stuk misdragen, is derhalve on-juist.
Ad C.
De bepaling van artikel 11c van het Reglement op de Markten, krachtens welke een houder van een vaste plaats die plaats verliest, wanneer hij gedurende meer dan zes maan-den haar niet mag bezetten wegens het ontvangen van onder-steuning, is op mijn voorstel in 1936 in het Reglement op de Markten opgenomen (vide punt II in mijn rapport van 27 Maart 1936 no.17/3/1 M.). Overeenkomstig de opdracht vervat in Uw missive d.d. 10 Juni 1936 (no.330 L.M.1936) worden U regel-matig opgaven verstrekt van de namen van kooplieden, die voor toepassing der bedoelde reglementsbepaling in aanmerking komen Het voorstel van intrekking wordt dan door U om advies gezon-den aan den Dienst voor Maatschappelijken Steun en overeen-komstig het advies van dien Dienst wordt al of niet tot in-trekking besloten; (het laatste lid van artikel 11 geeft de mogelijkheid, dat uitzonderingen op het in dat artikel be- Dit document is een ambtelijke rapportage betreffende de regulering van markten in Amsterdam, specifiek de Albert Cuypmarkt. De tekst belicht drie belangrijke administratieve en maatschappelijke aspecten van die tijd:
- Identificatie en Uitsluiting: Er wordt expliciet gezocht naar de achtergrond van kooplieden ("of zij Joden zijn"). Ook wordt verwezen naar een besluit uit 1934 om buitenlanders geen vaste plaatsen meer te geven. Dit toont de toenemende restricties voor minderheden aan, die al voor de oorlog begonnen en onder de bezetting werden verscherpt.
- "Marktschuimers": Dit is een pejoratieve term voor kooplieden die enkel op drukke dagen (zaterdagen) verschijnen om de beste winst te pakken, terwijl ze op verplichte doordeweekse dagen slechts symbolisch aanwezig zijn om hun rechten op de standplaats te behouden. Dit leidde tot frictie met kooplieden die wel de hele week aanwezig waren.
- Sociaal-Economische Controle: Onder punt Ad C. wordt de koppeling besproken tussen het recht op een marktplaats en het ontvangen van "ondersteuning" (sociale bijstand). Wie langer dan zes maanden afhankelijk was van de overheid, kon zijn standplaats verliezen. Dit was een repressieve maatregel om te voorkomen dat mensen zowel een uitkering ontvingen als een (onzeker) inkomen uit de markt trachtten te genereren. Het document bevindt zich op het snijvlak van de vooroorlogse crisiswetgeving en de vroege maatregelen van de Duitse bezetter. De verwijzing naar het "Arbeidsfront" (Nederlandsch Arbeidsfront, de nationaalsocialistische vakorganisatie die in mei 1940 werd opgericht als vervanging van de vrije vakbonden) suggereert dat dit specifieke rapport is opgesteld kort na het begin van de bezetting, waarbij de bezetter gebruikmaakte van bestaande ambtelijke rapportages uit 1934, 1936 en 1939.
De chef-marktopzichter Van Moerkerken speelt hier een rol als informant. Het feit dat de administratie van de markt wordt gebruikt om Joodse kooplieden in kaart te brengen, is een directe voorbode van de latere verordeningen (zoals Verordening 198/1941) die Joden uiteindelijk geheel van de markten zouden weren. De Albert Cuypstraat en het Waterlooplein waren destijds de belangrijkste marktcentra in Amsterdam met een significante aanwezigheid van Joodse ondernemers.