Getypte brief/rapportage (Pagina 3).
Origineel
Getypte brief/rapportage (Pagina 3). 27 september 1940. Bladz. 3
20/36/2
Alhier.
27 September x40
den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen,
paalde worden gemaakt). Hoewel niet waarschijnlijk is, dat, zooals adressant voorgeeft, de steuntrekkers veelal de beste plaatsen op de markt bezetten, deel ik de meening van adressant, dat het zeer gewenscht is om ten deze strenger op te treden dan tot nu toe placht te geschieden. Bij de bestaande voorschriften ten deze is het trouwens mogelijk, dat een koopman, teneinde intrekking zijner marktplaats na zes maanden te voorkomen, gedurende korten tijd weder op de markt gaat staan en daarna opnieuw voor zes maanden in de steunregeling wordt opgenomen; het ware gewenscht, dat ook dit bij een eventueele reglementswijziging onmogelijk wordt gemaakt. (Zie verder hieronder bij de behandeling van punt 3 der voorstellen van adressant: bladzijde 6).
Onder D wordt in het onderhavige stuk gepleit voor de invoering, ook op alle andere markten hier ter stede, van compagnonschappen, zooals die op de markt Waterlooplein bestaan. De vraag, welke maatregelen ten aanzien van de compagnonschappen noodig zijn is besproken in de 23ste vergadering van de Commissie van Advies voor de Markten op 10 October 1938 (Notulen bladz. 2 en volgende). De Commissie van Advies heeft eenstemmig geadviseerd om de bedoelde compagnonschappen uitsluitend op het Waterlooplein — waar zij nu eenmaal sedert jaren plegen voor te komen — niet te verbieden. Het wordt dezerzijds ongewenscht geacht, om de mogelijkheid van compagnonschappen, die als een euvel moeten worden beschouwd, uit te breiden tot andere markten. In wezen zou dit beteekenen, dat kapitaalkrachtige handelaren zich, onder het mom van een compagnonschap, van de goede verkoopplaatsen van marktkooplieden verzekeren, teneinde aldaar hun waren te verkoopen. De marktkoopman verkoopt dan als het ware zijn plaats aan een compagnon. Invoering van dit stelsel zal tot denaturatie der markten leiden, omdat groote winkelzaken zich op die manier gunstig gelegen marktplaatsen zouden kunnen verschaffen. Het is zonder meer duidelijk, dat dit de belangen, speciaal van de kleine marktkooplieden, ernstig zou aantasten. Terloops zij in dit verband nog opgemerkt, dat Joodsche marktorganisaties niet bestaan: de marktorganisaties tellen leden van alle gezindten. De kwalificatie "Joodsche Directie van het Marktwezen" meen ik verder te mogen laten voor wat zij is.
Teekenend is in dit verband nog, dat het meestal Joodsche kooplieden zijn, die verzoeken een compagnon te mogen nemen, welke in het bezit is van stoffen, damesgoeden, enz. Inwilliging van dit verzoek van het Arbeidsfront zal ongetwijfeld een bevordering beteekenen van handel en grossierderij door Joden.
Onder E wordt in het rapport van het Arbeidsfront beweerd, dat vooral de Joodsche marktkooplieden des winters in steun gaan. Deze bewering houdt geen steek, hetgeen blijkt uit den in bijlage A hierbij overgelegden staat. Op de drie groote markten namelijk Albert Cuypstraat, Lindengracht en Ten Katestraat ontvingen in de periode van 1 September 1939 tot 1 September 1940 gemiddeld 30% van de niet-Joodsche en 22% van de Joodsche kooplieden ondersteuning; het gemiddelde aantal steundagen van een niet-Joodschen koopman bedroeg in die periode: 96, van een Joodschen koopman 81. Hiermede zijn Dit document weerspiegelt de bureaucratische strijd in het eerste jaar van de bezetting. De auteur (waarschijnlijk een hoge ambtenaar van de marktmeesterij of de afdeling markten) reageert op een rapport van het Arbeidsfront (de nationaalsocialistische vakorganisatie).
De kernpunten zijn:
1. Misbruik van steunregelingen: Er wordt erkend dat sommige marktkooplieden de regels omzeilen om hun standplaats te behouden terwijl ze in de steun zitten. De auteur steunt strengere regels hiervoor.
2. Compagnonschappen: De auteur verzet zich tegen de uitbreiding van compagnonschappen naar andere markten dan het Waterlooplein. De angst is dat grote winkelbedrijven zo de markt overnemen ten koste van kleine kooplieden.
3. Weerlegging van antisemitisme: De auteur spreekt expliciet tegen dat er "Joodse marktorganisaties" zijn of een "Joodse Directie van het Marktwezen". Met harde cijfers wordt de bewering van het Arbeidsfront onderuitgehaald dat Joodse kooplieden vaker in de steun zouden zitten. De data tonen aan dat juist niet-Joodse kooplieden vaker en langer afhankelijk waren van steun in de gemeten periode. In september 1940 was de nazificatie van de Nederlandse samenleving in volle gang. Het Arbeidsfront probeerde invloed te krijgen op economische sectoren door antisemitische retoriek te gebruiken (zoals het framen van Joodse kooplieden als profiteurs of dominant).
Dit document is historisch saillant omdat het laat zien dat de Amsterdamse gemeentelijke bureaucratie in de herfst van 1940 nog probeerde om met feitelijke, statistische argumenten weerstand te bieden aan de ideologische druk van NSB-gelieerde organisaties. De auteur verdedigt de "kleine marktkoopman" en de integriteit van de markt tegen wat hij ziet als "denaturatie". Kort hierna zouden de anti-Joodse maatregelen echter zo verscherpt worden dat dergelijke feitelijke verweren geen stand meer konden houden.