Archiefdocument
Origineel
27 september 1940 Bladz. 5
20/36/2
Alhier.
27 September 40
den Heer Wethouder voor de
Levensmiddelen,
Voor wijziging van de bepaling van artikel 9 lid 3 van het Reglement, dat dagelijks tot 3 uur (op de Lindengracht tot 12 uur) moet worden uitgestald, in dien zin, dat dit tijdstip op 5 uur wordt gesteld, bestaat geen aanleiding. De bedoeling van adressant met dit voorstel is geweest, om te voorkomen, dat kooplieden slechts voor den vorm een marktplaats gaan bezetten, zonder met een behoorlijke uitstalling te gaan staan (vide hierboven blads. 2). Daartoe is echter dit voorstel niet dienstig, omdat het tal van bonafide kooplieden verplicht om gedurende langeren tijd dan voor hun handel noodig is op de markten te blijven. Bovendien is de kans, dat vorenbedoeld misbruik zal blijven optreden veel geringer, als de kooplieden minstens drie dagen per week de marktplaats moeten bezetten; het is namelijk niet waarschijnlijk, dat zij alleen om der wille van den éénen gunstigen Zaterdag, twee dagen slechts voor den schijn zouden gaan staan en dus dan geen inkomsten zouden hebben. Teneinde hierbij elke mogelijkheid tot misbruik uit te sluiten verdient het aanbeveling, om in het Reglement een bepaling op te nemen, krachtens welke de kooplieden niet alleen zijn verplicht om uit testallen, maar bovendien om dit op, naar het oordeel van den dienstdoenden marktambtenaar, voldoende wijze te doen, dat wil zeggen, zoodanig, dat zij voldoende handelswaar uitstallen, om, onder normale omstandigheden, den geheelen marktdag zaken te doen.
Onmiddellijk verband met het voorstel sub 1 houdt dat, hetwelk sub 8 door het Arbeidsfront wordt gedaan. Volgens den chef-marktopzichter Van Moerkerken moet dit voorstel worden begrepen als een verbod voor marktkooplieden om op meer dan één dagmarkt en één weekmarkt een vaste plaats te bezetten. Dit voorstel, hetwelk eveneens zeer bevorderlijk is voor een regelmatige bezetting van de markten en tot voorkoming van misbruiken, lijkt mij aanvaardbaar, met dien verstande, dat in plaats van hoogstens één weekmarkt, hoogstens twee weekmarkten kunnen worden toegestaan.
Teneinde ontduiking van deze nieuwe bepalingen te voorkomen, zal het voorts wenschelijk zijn, dat het verbod om op meer dan één dagmarkt en op meer dan twee weekmarkten een plaats te bezetten ook zal gelden voor de echtgenooten van de kooplieden. Krachtens artikel 18 van het Reglement op de Markten mogen echtelieden samen of om beurten van de marktplaats, die aan één hunner is toegewezen, gebruik maken. Deze bepaling kan onveranderd blijven, mits slechts de mogelijkheid wordt uitgesloten, dat echtelieden afzonderlijk elk op één dagmarkt of op meer dan twee weekmarkten een plaats krijgen.
De bedoeling van het hier voorgestelde verbod is natuurlijk alleen om het bezetten van vaste plaatsen op meer markten te verbieden. Tegen het bezetten van losse plaatsen bestaat uiteraard geen bezwaar, omdat dit veelal minder gunstig gelegen plaatsen zijn, wier bezetting niet de belangen van de marktkooplieden, die de markt regelmatig bezoeken, schaadt. Het document is een ambtelijk advies over het aanscherpen van de marktreglementen. De kernpunten zijn:
1. Bestrijding van schijnbezetting: Men wil voorkomen dat handelaren een plek bezetten zonder echt te verkopen, enkel om hun recht op de plek (vooral voor de lucratieve zaterdag) te behouden. Een verlenging van de verplichte uitstaltijd tot 17:00 uur wordt afgewezen omdat dit bonafide handelaren schaadt. In plaats daarvan stelt men voor om de marktmeester te laten beoordelen of er "voldoende" handelswaar is uitgestald.
2. Beperking van standplaatsen: Er wordt voorgesteld om het aantal vaste plaatsen per handelaar te beperken (maximaal één dagmarkt en twee weekmarkten) om een eerlijkere verdeling te bewerkstelligen.
3. Anti-ontduikingsclausule: Om te voorkomen dat echtparen via twee namen extra plekken bemachtigen, wordt voorgesteld de beperking te laten gelden voor het gehele huishouden.
4. Uitzondering voor "losse" plaatsen: Voor minder gunstige, niet-vaste plekken blijven de regels soepeler, aangezien deze de reguliere marktordening niet verstoren. De datum (september 1940) plaatst dit document in de eerste maanden van de Duitse bezetting van Nederland. De vermelding van het "Arbeidsfront" (het Nederlandsche Arbeidsfront, de door de bezetter ingestelde vakorganisatie) bevestigt de politieke context van die tijd. De bemoeienis van de "Wethouder voor de Levensmiddelen" duidt op de groeiende noodzaak om de distributie en verkoop van goederen strak te reguleren vanwege de beginnende schaarste in oorlogstijd. De referentie naar de Lindengracht bevestigt dat het hier om de marktregulering in Amsterdam gaat.