Archiefdocument
Origineel
16 november 1939 (deels vervaagd getypt als "16 November 9."). Vermoedelijk de Directie van het Marktwezen Amsterdam. Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. 2 16 November 9.
8A/63/2 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen,
de leiding heeft steeds als "marktopzichter" aangeduid en
deze functie worde in salarisgroep IV ingedeeld.
Indien U zich met dit voorstel kunt vereenigen, komen
de bestaande 5 marktopzichters dus voor deze groepsverhooging
in aanmerking:
H.M.A.de Wolff (no.53), die dienstdoet op de markten
Lindengracht-Westerstraat;
N.Vrij (no.38), die dienstdoet op de markt Ten Kate-
straat;
F.W.Ströer (no.21), die dienstdoet op de Nieuwmarkt
en op de Zaterdagsmarkt Jan Evertsenstraat. Ströer was des-
tijds chef-marktopzichter; hij is bij Besluit van Burgemeester
en Wethouders d.d. 12 October 1934 (no.583 L.M.1934) voor
straf teruggesteld tot marktopzichter; sedertdien geeft de
wijze waarop hij zijn dienst verricht geen reden tot klagen;
T.A.Wieberdink (no.45), doet dienst op de Centrale
Markt, waar hij de statistiek verzorgt, met behulp van con-
troleurs. Hij is deskundige voor gewassen van den tuinbouw;
zijn werk omvat onder andere het opmaken van rapporten inzake
de marktpositie; hij verzorgt de prijzen-statistiek, (waarbij
hij zelfstandig qualiteiten en prijzen in groot- en kleinhan-
del beoordeelt); zijn bijzondere kundigheid op dit terrein
wettigt mijns inziens de hoogere indeeling van zijn functie.
G.L.Buenting (no.74). Op vervolgblad 2-3 van mijn
bovenaangehaald rapport d.d. 10 Augustus jl. (No.8A/78/3 m.)
heb ik de taak van dezen ambtenaar omschreven. Zij omvat
eendeels het recherchewerk der Centrale Markt; het bemiddelen
bij geschillen, die op die markt voorkomen; het onderzoeken
van erkenningsaanvragen voor de Crisis-Centrales, enz.; ander-
deels is Buenting, die "klerkenbevoegdheid" heeft, speciaal
in de vacantie-maanden, bij de boekhouding op het hoofdkantoor
werkzaam; hij vervangt er den klerk, die den boekhouder
assisteert en hij vervangt er den kassier. Bovendien is Buen-
ting steeds "in algemeenen dienst" werkzaam voor het uit-
voeren van speciale opdrachten en onderzoekingen, die hem
mijnerzijds worden opgedragen.
De aard van zijn werk wordt door zijn titel van
"marktopzichter" onvoldoende aangeduid; de titel van bij voor- Dit archiefstuk is een doorslag van de tweede pagina van een ambtsbericht aan de Amsterdamse wethouder voor de Levensmiddelen. De kern van het document is een onderbouwing om vijf met naam genoemde marktopzichters te bevorderen naar salarisgroep IV. De tekst is zeer informatief over de taakverdeling en het personeelsbeleid van het Marktwezen in de jaren dertig.
- Personeelsgeschiedenis: Opvallend is het relaas over F.W. Ströer, die na een eerdere disciplinaire degradatie in 1934 ("voor straf teruggesteld") nu blijkbaar weer goed genoeg functioneert voor promotie.
- Specialisaties: De beschrijvingen van T.A. Wieberdink en G.L. Buenting tonen aan dat het werk van marktopzichters op de Centrale Markt veel verder ging dan louter toezicht. Wieberdink fungeerde als statistisch analist en tuinbouwdeskundige, terwijl Buenting recherchewerk verrichtte en inviel op de administratie.
- Crisisbeheer: De term "erkenningsaanvragen voor de Crisis-Centrales" wijst op de bureaucratische uitvoering van de Landbouwcrisiswet, waarbij ambtenaren moesten controleren of handelaren voldeden aan de strenge overheidsregels voor prijs- en marktordening. Het document bevindt zich op het snijvlak van de economische depressie en de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De Centrale Markt in Amsterdam (geopend in 1934) was destijds een hypermodern knooppunt. De 'Wethouder voor de Levensmiddelen' had in deze periode een cruciale politieke rol: de stad moest zorgen voor betaalbaar voedsel voor een bevolking die zwaar getroffen was door werkloosheid.
De specifieke functies die hier beschreven worden, laten zien hoe de overheid grip probeerde te krijgen op de voedselketen via data (statistiek door Wieberdink) en handhaving (recherche door Buenting). De spelling (zoals "qualiteiten" en "algemeenen") is typerend voor de vooroorlogse ambtelijke taal (spelling-Marchant).