Archief 745
Inventaris 745-330
Pagina 39
Dossier 83
Jaar 1940
Stadsarchief

Archiefdocument

6 maart 1940. Van: De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen. Aan: Den heer Directeur van den Dienst van het Marktwezen.

Origineel

6 maart 1940. De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen. Den heer Directeur van den Dienst van het Marktwezen. GEMEENTE AMSTERDAM

Nº 39/75 / M. 1940 6/3
AFD. L.M.
No. 248 -1940-
BIJLAGEN

AMSTERDAM, 6 Maart 1940.

MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.

Ingevolge het onderhoud, dat ik j.l. Zaterdag met U had, verzoek ik U een onderzoek te willen instellen naar de verschillende omstandigheden, waaronder de standplaatshouders van bloemen hun koophandel drijven, bijvoorbeeld veilingbezoek, het al of niet hebben van winkels, van bergplaatsen, of in die bergplaatsen ook bloemstukken worden opgemaakt enz.

Volgens aanteekening aan mijn Afdeeling zijn er thans 196 van dergelijke kooplieden, waarvan 58 vergunning hebben voor vervanging wegens veilingbezoek.

VM
b

De Wethouder voor de Levensmiddelen,
Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,

[Handtekening]

Aan den heer Directeur van den Dienst van het Marktwezen.

Model G.A. 6
50.000—10—'37

--- In deze brief verzoekt de Amsterdamse wethouder verantwoordelijk voor Levensmiddelen de directeur van de Dienst van het Marktwezen om een gedetailleerd onderzoek naar de bloemenhandel op standplaatsen (marktkramen/vaste plekken op straat).

De wethouder wil specifiek inzicht in:
1. De logistiek: Hoe vaak bezoeken de handelaren de veiling?
2. Bedrijfsvoering: Hebben deze straathandelaren daarnaast een fysieke winkel of aparte opslagruimtes (bergplaatsen)?
3. Productie: Worden er in die bergplaatsen ook bloemstukken vervaardigd (wat zou kunnen duiden op een meer uitgebreide bedrijfsvoering dan enkel wederverkoop)?

Uit de brief blijkt dat de gemeente op dat moment 196 van dergelijke bloemenkooplieden geregistreerd heeft staan, waarvan ruim een kwart (58) een officiële vergunning heeft om zich op de standplaats te laten vervangen wanneer zij zelf naar de veiling gaan. De brief dateert van 6 maart 1940. Dit is slechts twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. Het document toont aan dat de gemeentelijke bureaucratie in Amsterdam in de periode vlak voor de oorlog (de 'Phoney War') nog volledig functioneerde volgens de normale procedures.

Het onderzoek lijkt gericht op het reguleren van de ambulante handel en het voorkomen van oneerlijke concurrentie of het overschrijden van de grenzen van een standplaatsvergunning. Als een standplaatshouder namelijk ook een winkel of een werkplaats had, veranderde dit mogelijk hun juridische of fiscale status.

De portefeuille van de betreffende wethouder (Levensmiddelen gecombineerd met bad- en zweminrichtingen) is kenmerkend voor de toenmalige verdeling van gemeentelijke taken, waarbij de overheid een brede zorgtaak had voor zowel de volksgezondheid als de economische ordening van de stad.

Samenvatting

In deze brief verzoekt de Amsterdamse wethouder verantwoordelijk voor Levensmiddelen de directeur van de Dienst van het Marktwezen om een gedetailleerd onderzoek naar de bloemenhandel op standplaatsen (marktkramen/vaste plekken op straat).

De wethouder wil specifiek inzicht in:
1. De logistiek: Hoe vaak bezoeken de handelaren de veiling?
2. Bedrijfsvoering: Hebben deze straathandelaren daarnaast een fysieke winkel of aparte opslagruimtes (bergplaatsen)?
3. Productie: Worden er in die bergplaatsen ook bloemstukken vervaardigd (wat zou kunnen duiden op een meer uitgebreide bedrijfsvoering dan enkel wederverkoop)?

Uit de brief blijkt dat de gemeente op dat moment 196 van dergelijke bloemenkooplieden geregistreerd heeft staan, waarvan ruim een kwart (58) een officiële vergunning heeft om zich op de standplaats te laten vervangen wanneer zij zelf naar de veiling gaan.

Historische Context

De brief dateert van 6 maart 1940. Dit is slechts twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. Het document toont aan dat de gemeentelijke bureaucratie in Amsterdam in de periode vlak voor de oorlog (de 'Phoney War') nog volledig functioneerde volgens de normale procedures.

Het onderzoek lijkt gericht op het reguleren van de ambulante handel en het voorkomen van oneerlijke concurrentie of het overschrijden van de grenzen van een standplaatsvergunning. Als een standplaatshouder namelijk ook een winkel of een werkplaats had, veranderde dit mogelijk hun juridische of fiscale status.

De portefeuille van de betreffende wethouder (Levensmiddelen gecombineerd met bad- en zweminrichtingen) is kenmerkend voor de toenmalige verdeling van gemeentelijke taken, waarbij de overheid een brede zorgtaak had voor zowel de volksgezondheid als de economische ordening van de stad.

Kooplieden in dit dossier 100

J. Izaks Waterlooplein 20,91
A. Dotsch Waterlooplein " 1,98
A. Dotsch Waterlooplein " 1,98
Abraham Prins Waterlooplein " -,58
Abraham Prins Waterlooplein " -,58
J. Premsela Waterlooplein 139,75
C. Beek Waterlooplein 23,46
J. Premsela Waterlooplein 605,63
P. Bond Waterlooplein 65,72
J. Premsela Waterlooplein 170,36
W.F. Siebert Waterlooplein 992,67
J. Cohen Nieuwmarkt 892,55
S. Cohen Zwanenburgwal 28,45
C. Puul Waterlooplein " 5,50
C. Puul Waterlooplein " 5,50
D. de Wit Waterlooplein " 18,36
D. de Wit Waterlooplein " 18,36
en Joh. Koning) Waterlooplein 53,24
J. Dotsch Waterlooplein 59,34
A. Dotsch Waterlooplein 328,62
D. den Dulk Waterlooplein 43,90
E. Zwaan Waterlooplein " -,52
J. Ferwerda Waterlooplein 99,45
V.V.Z. Roode Waterlooplein 522,67
F. Tuyp Waterlooplein " -,32
F. Tuyp Waterlooplein " -,32
Geverding (Suppletie) Waterlooplein 1,80
Geverding (Suppletie) Waterlooplein " 1,80
P. Gomes Waterlooplein 5063,71
geboren 29-10-1907 te Wijk aan Zee). + 2x Veiling + commissionair
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6