Handgeschreven verslag of studie over de bloemenhandel.
Origineel
Handgeschreven verslag of studie over de bloemenhandel. [Pagina 4]
bloemen zijn zeer gevoelig voor allerlei klimatologische omstandigheden. Warmte, zon, regen, wind en vorst kunnen hen in korten tijd onverkoopbaar maken, terwijl juist op de standplaatsen de bloemen in ruime mate aan deze weersomstandigheden zijn blootgesteld. Alleen als b.v. door een glazen ombouwing den bloemen een redelijke beschutting kan worden gegeven kan hun levensduur op merkbare wijze worden verlengd, doch vergunningen daartoe worden maar zelden gegeven. Veel vaker is het gebruik van een parasol toegestaan, doch deze beschut slechts tegen de zon (niet tegen de terug kaatsende stralen van den weg) en kan alleen bij wind-stil weer worden opgehouden. Ook wordt soms gepoogd om door een achter-, zij- of boven-zeiltje eenige beschutting te geven maar dat zijn slechts lapmiddelen die het aanzien der standplaats in het geheel niet, den bloemen slechts weinig ten goede komen.
Geconstateerd kan worden dat tengevolge van de slechte beschutting, het aantal dagen dat niet kan worden uitgestald grooter is dan noodzakelijk, maar bovendien dat de „kans” op bederf van den „handel” op een standplaats vele malen grooter is dan in een winkel.
De weersomstandigheden zijn van groote beeteekenis voor den bloemenhandel op straat. Doelmatige beschutting door glas bij koude, regen en wind, door schermrekken (van latjes) bij zon, zou de rentabiliteit der standplaatsen zeer ten goede komen.
De plaatshouders trachten sich, weinig kapitaalkrachtig als zij zijn, tegen het verlies door bederf, te dekken door zoo goedkoop mogelijk in te koopen zoodat daardoor dit verlies tot een minimum wordt gereduceerd. Ook het publiek dwingt hen tot goedkoop inkoopen, omdat dit bij den straathandel altijd minder wil betalen dan in den winkel. Zijn het goede zakenlieden dan zullen zij trachten zooveel mogelijk waarde voor hun geld te krijgen terwijl anderen sich met mindere kwaliteiten tevreden stellen.
Een straatkoopman kan sich alleen staande houden als hij zoo goedkoop mogelijk inkoopt.
[Pagina 5]
Dit inkoopen kan in de eerste plaats geschieden, op de veilingen die zich in de drie voornaamste productie centra voor snijbloemen bevinden n.l.:
- Aalsmeer. speciaal centrum der snijbloemen cultuur. Seringen (en andere trekheesters als Sneeuwbal Prunus Rhododendrum enz) Rozen, Dahlia’s en Chrysanten en verder allerlei snijbloem vaste planten van onder glas en van den kouden grond.
Veilingen in Aalsmeer dorp en Aalsmeer Oosteinde (Bloemenlust genaamd) beide veilende elken dag met drie klokken tegelijk (elk met eigen soorten) vanaf 8 uur à 8.30 uur tot alles weg is; meestal omstreeks 13 uur. ’s zomers is er een vroege veiling van 7-8.30 uur. - Kennemerland. centrum der bollen teelt levert meer speciaal bolgewassen en gladiolen.
Veilingen o.a. Beverwijk (tulpentijd dagelijks overigen 3x per week) vanaf 15.30 uur tot einde. en Rijnsburg dagelijks van 18 tot ± 12 uur. - Westland. centrum van groenten cultuur. Veel onbenut kas en akker oppervlak wordt daar thans voor snijbloem cultuur (v.n.l. Chrysanten) gebruikt.
Veilingen Honselaarsdijk ’s zomers dagelijks van 7 uur tot einde en ’s winters 3 maal per week. en Poeldijk van 8 tot ± 12 uur.
Van deze centra en Veilingen is Aalsmeer natuurlijk het voornaamste (voor den straathandel meer speciaal „Bloemenlust”). De andere zijn van minder algemeen belang maar kunnen juist daarom van beteekenis zijn voor de plaatshouders door de lagere prijzen die daar evenals aan „de kant” op de Centrale Markt te Amsterdam (van 6 tot 8 uur ’s morgens) gemaakt worden. De veiling op de Amsterdamsche centrale markt (van 11 uur tot ± 13.30 uur) kan sich minder in de belangstelling der straat kooplieden verheugen, omdat er niet veel gelegenheid schijnt te bestaan, om een geschikte partij voor weinig geld te koopen; daarvoor is de aanvoer blijkbaar te gering. De kooplieden zeggen dat er (voor hen): „niets bijzonders aan de veiling komt.”
Vrijwel ieder die kan, gaat dus naar de Aalsmeersche veilingen (zooals gezegd meest Bloemenlust in het Oosteinde). In dit document wordt de precaire economische positie van de Amsterdamse (of algemeen stedelijke) bloemenkoopman geanalyseerd. De auteur legt de nadruk op de volgende punten:
- Risicobeheer: Bloemen zijn een bederfelijk product. Omdat straatverkopers vaak geen goede overdekking (glas) mogen bouwen van de gemeente, zijn ze overgeleverd aan het weer. Dit leidt tot een hogere kans op bederf vergeleken met fysieke winkels.
- Inkoopstrategie: Om te overleven moeten deze handelaren met weinig kapitaal zo goedkoop mogelijk inkopen. Het publiek verwacht op straat immers lagere prijzen dan in de winkel.
- Geografie van de handel: Er wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de toeleveringsketen. Aalsmeer (met name veiling Bloemenlust) wordt aangewezen als het belangrijkste inkoopstation. Andere regio's zoals het Westland en Kennemerland worden genoemd als alternatieven voor specifieke gewassen of lagere prijzen.
- Marktdynamiek: De Centrale Markt in Amsterdam wordt besproken als een plek waar ook geveild wordt, maar die voor de straathandelaar minder aantrekkelijk is vanwege een te klein aanbod van "geschikte partijen" (waarschijnlijk restpartijen of goedkopere handel). Dit document stamt uit een periode waarin de Nederlandse sierteelt zich sterk professionaliseerde via het veilingwezen. De genoemde veiling 'Bloemenlust' in Aalsmeer-Oosteinde was destijds een van de twee grote coöperaties (naast de Centrale Aalsmeersche Veiling) die later zouden fuseren tot wat nu Royal FloraHolland is.
De tekst geeft een inkijkje in de sociale geschiedenis van de straathandel. Het toont aan dat de 'bloemenman' op de hoek van de straat niet alleen een romantisch stadsbeeld was, maar een ondernemer die met zeer krappe marges en hoge operationele risico's (weersomstandigheden) moest werken. De spelling (bijv. "sich", "beeteekenis", "groote") en het gebruik van termen als "plaatshouders" duiden op een tekst van voor de spellingshervorming van 1947, vermoedelijk uit de jaren '20 of '30.