Getypte brief (afschrift).
Origineel
Getypte brief (afschrift). 7 augustus 1940. B. Groenteman, Korte Houtstraat 31 III, Amsterdam C. No.46A/11/10 M.1940 AFSCHRIFT.
No.333 L.M.1940
Amsterdam, 7 Aug.1940.
Aan den Weledelachtbare Heer Wethouder
voor den Levensmiddelen enz.,
Alhier.
Weledelachtbare Heer,
In verband met het door Ued.Heer Wethouder aan mij gericht schrijven van 28 Mei jl. verzoek ik Ued.beleefd nog eenmaal voor het volgende Uw aandacht.
De straf door Ued. mij opgelegd van 2 jaar ontzegging om aan de Gemeentelijke Vischafslag te verschijnen, waarvan een jaar voorwaardelijk is ontzettend zwaar. En zeer zeker in deze zoo moeilijke dagen.
Geacht Heer Wethouder dit vonnis is voor mij zulk een harde slag, dat dit beteekent dat ik niet alleen uit de vischhandel gestooten wordt, doch ook broodeloos wordt gemaakt. Gezien het feit dat IJmuiden als vischaanvoer haven geen handel meer geeft. Des te harder treft mij dien slag waar ik nooit een ander vak geleerd heb, zelfs nooit anders gedaan heb als in visch gehandeld.
Wanneer volgens Ued. deze mijnopgelegde straf zou toekomen, dan nog zou in zooverre het genade voor recht kunnen gelden. Om het eene jaar onvoorwaardelijk zoo te doen gelden, om mij van week tot week te beoordeelen door den Heer Chef.Afslager) als preventie alsnog toegang tot de Gemeentelijke Vischafslag te willen verleenen.
Ik geef Ued.dan ook de meest stellige verzekering dat door mij niet alleen dien tijd, doch ook dien tijd daarna, de meest correcte en eerlijke houding, ook jegens alle geldende bepalingen in acht zal worden genomen, ook voor wat betreft de orde en rust.
Hopende Ued. Heer Wethouder deze laatste mij zal willen toestaan in het belang van mijn gezin.
Ued.Heerbij voorbaat dankend Ue. tevens de verzekering gevende van mijn hoogachting.
Inmiddels,
Uw dw.dn.
w.g.B.Groenteman,
Korte Houtstraat 31 III,
Alhier C. * Inhoud: De schrijver, B. Groenteman, verzoekt om clementie wat betreft een hem opgelegde straf: een tweejarige ontzegging (waarvan één jaar voorwaardelijk) van de toegang tot de Gemeentelijke Visafslag in Amsterdam. Hij voert aan dat hij door deze maatregel volledig zonder inkomsten komt te zitten, aangezien hij geen ander beroep kent dan de vishandel.
* Argumentatie: Groenteman benadrukt dat IJmuiden als alternatieve handelsplaats geen uitkomst meer biedt. Hij stelt een compromis voor: hij vraagt om op proef (van week tot week) weer te worden toegelaten onder toezicht van de chef-afslager, waarbij hij zweert zich strikt aan alle regels te zullen houden.
* Taalgebruik: De brief is geschreven in een formele, enigszins onderdanige stijl ("Uw dw.dn." staat voor 'Uw dienstwillige dienaar'). Het taalgebruik is typisch voor die tijd, inclusief spelfouten zoals "mijnopgelegde" (aan mij opgelegde) en "npoit" (nooit). * Historische periode: De brief dateert van augustus 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De "moeilijke dagen" waar Groenteman naar verwijst, duiden op de economische malaise en de onzekerheid van de oorlogssituatie.
* Economie: De vishandel was zwaar getroffen. De Noordzee was door mijnen en oorlogsoperaties grotendeels onbereikbaar voor de vissersvloot, waardoor de aanvoer in havens als IJmuiden drastisch was afgenomen. Dit verklaart waarom Groenteman volledig afhankelijk was van de Amsterdamse markt.
* Persoonlijke achtergrond: De achternaam Groenteman en het adres in de Korte Houtstraat (gelegen in de oude Amsterdamse Jodenbuurt) suggereren sterk dat de schrijver van Joodse afkomst was. Dit voegt een extra laag toe aan de urgentie van zijn verzoek, aangezien de Joodse bevolking in die periode al geconfronteerd werd met de eerste uitsluitingsmaatregelen van de bezetter, hoewel de hier besproken straf een gemeentelijke sanctie lijkt te zijn voor een overtreding binnen de visafslag.
* Status van het document: De aanduiding "AFSCHRIFT" en de afkorting "w.g." (was getekend) geven aan dat dit een officiële kopie is voor het gemeentearchief, en niet het origineel dat door de wethouder is ontvangen.